Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kuiken - (jong hoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kuiken zn. ‘jong hoen’
Mnl. kiken ‘kuiken’ [1240; Bern.], kiekin [1270; VMNW], kuken [1270-90; VMNW], kuyken [1479; MNW-P].
Mnd. küken (en door ontlening nhd. Küchlein ‘kuiken’); Oost-Fries (Wangeroogs) sjuuken; oe. cȳcen (ne. chicken ‘kip’). West-Germaanse afleiding *kiuk-īna- ‘kuiken’ met verkleiningsachtervoegsel bij een klanknabootsende wortel *kiuk-, waarbij verder nog de afleidingen Noord-Fries (Mooring) schükling, on. kjúklingr ‘kip’ (nzw. kyckling, nde. kylling). Minder wrsch. is dat *kiuk- < pgm. *keuk- een ablautende variant is bij pgm. *kukk- (oe. cocc ‘haan’ (ne. cock), on. kokkr). Deze laatste woorden zijn wrsch. ook klanknabootsend, maar onafhankelijk gevormd.
De nevenvorm kieken is Noordzee-Germaans, zie → lieden. Deze vorm is in Zuid-Nederlandse dialecten nog zeer algemeen, met name in de betekenis ‘volwassen hoen’, daarnaast ook wel voor ‘jong hoen’. In de standaardtaal komt hij alleen nog voor in de samenstelling → kiekendief.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kieken* [jong van een kip] {kiken 1201-1250} vlaamse variant van hollands kuiken.

kuiken* [jong van een kip] {cuken 1401-1450} (waarbij cuken, kuiken de hollandse vorm is), vgl. middelnederduits, middelhoogduits kuchen, oudengels cycen (engels chicken), ablautend naast middelnederlands coc [zeehaan, knorhaan]; klankschilderend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kieken znw. o. is de vlaamse vorm van kuiken.

kuiken, kieken znw. o., waarvan de eerste de hollandse, de tweede de vlaamse vorm is, mnl. kiekijn, kieken, kûken, Teuth. cuycken, mnd. kūken, mhd. kūchen (vgl. nhd. küchlein), oe. cycen (ne. chicken), daarnaast on. kjūklingr. Verder mnl. coc ‘zeehaan’, oe. coc (ne. cock) ‘haan’, on. kokr ‘haan’.

Misschien een klankschilderend woord, vgl. fra. coq (dat men ook wel als ontlening aan het germ. opvat wegens coccus in de Lex Salica, maar toch eerder klankwoord), oi. kukkuṭa, osl. kokošŭ, fins kukko (Falk-Torp 560). — Minder waarschijnlijk is de verbinding met gr. gúgēs ‘watervogel’, lit. gužatys ‘ooievaar’, die intussen ook op een klankwortel *geuĝ ‘schreeuwen’ teruggaan, een afl. van *geu in oi. gavate ‘klinken, schreeuwen’, gr. góos ‘klacht’, lit. gaudžù ‘jammeren, huilen’ (E. Lidén, Festschr. Bugge 1892, 92).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kieken, kuiken znw. o. Kieken is een oorspr. vla. vorm, kuiken een o.a. holl.; vgl. lieden, lui. Uit mnl. kiekijn, -en, kûken o. = mhd. (md.) kuchen (waarvan nhd. küchlein), Teuth. cuycken, mnd. kûken, ags. cŷcen (eng. chicken) o. “kuiken”. Evenals on. kjûk-lingr m. “kuiken” ablautend met mnl. coc m. overdr. “een zeevisch”, ags. coc (eng. cock), on. kokkr m. “haan”. Germ. kuk-, keuk- zal wel een onomatop. basis zijn. Minder wsch. bij gr. gúgēs “watervogel”, lit. gużatys “ooievaar” gebracht. Fr. coq “haan” kan ontleend zijn uit ’t Germ. (vgl. coccus in de Lex Salica). Germ. *keukîna- is een deminutieve formatie; vgl. veulen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kieken, kuiken o., Mnl. kieken resp. kuken + Mndd. küken (waaruit Hgd. küchlein), Ags. cycen (Eng. chicken); is dimin. van het nw. dat zich vertoont in Ags. cocc (Eng. cock) en On. kokkr = haan, dat wellicht gelijk Fr. coq een onomat. is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kuke (zn.) kuiken; Vreugmiddelnederlands kiken <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kuiken s.nw.
1. Kleintjie van 'n hoender of ander voëlsoort. 2. Klein of jong persoon. 3. Dom, onervare persoon.
Uit Ndl. kuiken (Mnl. cuken).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kieken: (in Vlaanderen) dom persoon. Reeds bij Cornelissen & Vervliet: ‘Dieë jongen is toch ’en dwaas kieken, hij loopt alles omver.’ Kieken wordt gewestelijk gebruikt voor een kip.

Nol, dat hebt ge zelf erkend, en nu zal ik moeten denken dat gij ’n kieken zonder kop zijt. (Jaak Langens, Een leeuw uit de Kempen, 1947)
Alwéér?! Wat heeft dat kieken? (Herman Brusselmans, De terugkeer van Bonanza, 1995)

kuiken: mal of dom persoon. Eigenlijk: het jong van een kip. O.a. vermeld door Molema. Niet volwassen pluimvee symboliseert hier onervarenheid en domheid. Zie ook nog grieskuiken*.

Iets in me zegt altijd weer opnieuw, na iedere scène, en na ieder brutaal antwoord: en tòch zullen we met jou nog eens eer inleggen, tòch zullen we van jou plezier beleven. En het is toch nog zo’n kuiken. (Diet Kramer, Roeland Westwout. Roman over jonge menschen, 1940)
’t Was geen kuiken, die van d’r santé niet afwist, maar een reëel wijf, die ’m niet an boord kwam met lulkoek als ‘ik ken u nog maar zo kort en ik mot er nog es m’n gedachten over laten gaan.’ (Piet Bakker, Ciske de rat, 1941)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kuiken. De schertsende zelfverwensing ik ben een kuiken, als ik niet zien kan komt voor in de Camera Obscura [1877]. Een oorspronkelijk vrome wens is tot vloek en uitroep van verontwaardiging geworden. De emotionele betekenis is ‘ik veracht mijzelf’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kuiken ‘jong van een kip’ -> Duits Küken ‘jong van een kip’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands kik(k)entje, kikintśi, kikinsji ‘jong van een kip’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kinkinsti ‘kip’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kieken* jong van een kip 1240 [Bern.]

kuiken* jong van een kip 1401-1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut