Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kuieren - (op zijn gemak lopen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kuieren* [op zijn gemak lopen, keuvelen] {coyeren [keuvelen, wandelen] 1480} oostmiddelnederlands cod(e)ren [babbelen], van coder [halskwab, kossem]; voor beide betekenissen zal het uitgangspunt zijn: gezapig op en neer, c.q. heen en weer gaan, vgl. kwebbelen, dat samenhangt met kwab.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kuieren ww., laat-mnl. coyeren ‘kuieren, wandelen’. Kiliaen kuyeren geeft op ‘spelen, praten’ en daarnaast ‘wandelen’ (Holl.). Ook Zaans kuieren betekent nu ‘wandelen’, maar verouderd ook ‘keuvelen’. Daarentegen is mnd. kōderen, kodderen ‘babbelen’ (ook ‘braken’ waarvoor zie: koren 2). Vlaams kuien bet. ‘spelende toewerpen’. Daarentegen fri. kuijerje ‘wandelen’. Misschien mag men uitgaan van een bet. ‘keuvelen’ en dan kan men denken aan een grondvorm *kuðirōn naast *kwiðirōn, iteratief bij got. qiþan ‘spreken’ (waarvoor zie: kwelen).

Voor de bet. ‘een praatje maken’ vergelijkt J. van Ginneken, Ts. 46, 1927, 188-9 lat. conversātio (eerst bij Tacitus ‘vriendschappelijk praten’) van conversāri ‘om iemand heendraaien, heen en weer gaan’ en fra. discours van lat. discursus ‘op en neer lopen’; vgl. ook onze uitdrukking in de wandeling.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kuieren (wandelen), door Kil. “Holl.” genoemd, reeds mnl., als laat-mnl. koyeren (mit onsen lieven heren) althans “wandelen” en niet “praten” beteekent evenals Kil. kuyeren, ndl. dial. (vla., brab., achterh., tw., Zaansch) kuieren, westf. kueern, Teuth. coeyeren. Deze vormen hebben een d verloren blijkens mnd. kōderen, kodderen “id.”. Dit wordt wel uit *kwiþirôn, *kwiðirôn (vgl. kwelen) verklaard. Zoo’n grondvorm of een ablautend *kuðirôn is waarschijnlijker dan dat het in ablaut tot hd. kaudern (zie koeteren) staat. De oorsprong van kuieren, fri. kuijerje “wandelen” is onzeker. Zijn beide woorden kuieren soms identisch? Zou de bet. “wandelen” op “koutend samen opwandelen” terug kunnen gaan? De dial. vormen van beide ww. wijzen eer op oude ŭ dan û.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kuieren, heeft ui2 (vgl. spuiten Suppl.). Andere, dial., vormen, waarin deze klank met meer of minder waarschijnlijkheid bij syncope van intervoc. d is ontwikkeld, verzamelt W.de Vries Intervoc. d in het Gron. (Meded. K. Akad. Lettk. Dl. 65, Serie A, no. 3).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kuieren 1 ono.w. (kouten), uit kuideren, met bijvorm koeteren (z. koeterwaals).

kuieren 2 ono.w. (wandelen), + Mndd. kod(d)eren: misschien hetz. als kuieren 1.; zooveel als pratend wandelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kuier ww.
1. Rustig wandel. 2. Besoek aflê, sonder om te oornag. 3. As gas by iemand tuisgaan. 4. (geselstaal) Gesellig verkeer, fuif. In bet. 1 uit Ndl. kuieren (Mnl. coyeren). Bet. 2 - 4 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Changuion (1844) in die vorm kuijeren en by Pannevis (1880) in die vorm kuier.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die vorm kuyer (1822 in bet. 1) en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorm kuier (1971 in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kui’eren (kuierde, heeft gekuierd), (verouderend) 1. doelloos rondlopen; AN wandelen. De oudste bleef aan de waterkant met zijn geweer heen en weer kuieren (Spalberg 1908; 1979: 94). - 2. uitgaan; een uitstapje maken. Ik loop een beetje* te kuieren, met vacantie naar de Bovenlanden (Helman 1954a: 17). - Etym.: S koiri = id. AN k. op z’n gemak, langzaam, wandelen (AN!). De SN bet. komt ook voor in het Zeeuws. Oudste vindpl. Pieter van Dyk, 2e helft 18e eeuw, cit. volgens Lichtveld & V. 243. - Zie ook: wandelen*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kuier: 1. “besoek aflê”; 2. “loop” (in verbg.: op en neer kuier); Ndl. kuieren, 1. “loop”; 2. “’n praatjie maak” – in Ndl. dial. soms moeilik tussen Afr. bet. 1. en Ndl. bet. 2. te ondersk., bv. in Boek (ZV s.v. kuieren I): “Kom nag (nog) eres ’en uurtje kuieren”; vgl. verder Scho TWK/NR 7, 2, p. 10-11, met vb. uit 18e en 19e eeu en vgl. v. ontw. v. bet. by Ndl. wandel(ing).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kuier ww. Ndl. logeren: Ek kom volgende maand ’n week lank by jou kuier. – Daar is drie duidelike betekenisoorgange aan te wys voor die woord in hierdie sin in Afrikaans kon gebruik word. Die oudste betekenis van die woord is “loop, wandel” (in Afrikaans nog bewaar in op en af kuier, ’n kind aan slaap kuier); hieruit is ontwikkel die betekenis “praat, ’n praatjie maak” (nog in verskillende Nederlandse dialekte bekend, maar nie meer in Afrikaans nie); hieruit weer die betekenis van “’ n kort besoek aflê”(soos gewoon in Afrikaans); en daaruit eindelik die betekenis van Ndl. logeren. Kuier in betekenis 1 en in betekenis 2 is altyd as twee etimologies verskillende woorde behandel, totdat Van Ginneken in die Leidse Tydskrif XLVI, 188-189, op oortuigende wyse aangetoon het dat betekenis 2 uit betekenis 1 ontwikkel het. As argument gebruik hy die feit dat ook die woord wandeling in die sin van “konversasie” gebruik is in verskillende Mnl. dialekte en dié betekenis trouens nog het in die algemeen Ndl. uitdrukking in de wandeling. Ek kan daar nou op wys dat die woord wandel in sy betekenisontwikkeling in minstens een Ndl. dialek nog verder gegaan het, ewe ver as kuier in Afrikaans, en dat dit in Seeus-Vlaams gebruik word in die sin van Ndl. logeren. In die Mag. v. Nederl. Taalk. V staan vermeld dat in Kadzand kuijeren beteken “wandelen” en dat wandelen daar gebruik word in die sin van “ergens gaan logeeren;” en in O.V. II, 145, vind ek vir Aardenburg aangegee “wandelen, bezoeken der familie gedurende de wintermaanden; in Schouwen winterneven.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kuieren ‘op zijn gemak lopen’ -> Duits dialect kojern, kôjern, keiern ‘met een kruiwagen kleiaarde, stenen en turf vervoeren voor het uitvoeren van dijkwerkzaamheden’; Duits keiern, keierken gaan, kaean, keuern ‘op zijn gemak lopen’;? Duits dialect köiern ‘gemoedelijk kletsen’; Negerhollands kyer ‘op zijn gemak lopen’; Papiaments keiru (ouder: keijer, kyer, keire) ‘een ommetje maken; een plezierreis maken, toeren, een ritje maken; rit, ommetje’; Sranantongo koiri ‘op zijn gemak lopen, wandelen; wandeling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kuieren* op zijn gemak lopen 1480 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut