Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krul - (spiraalvorm, gebogen vorm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krul zn. ‘spiraalvorm, gebogen vorm’
Mnl. eerst het bn. crul ‘gekruld, krullend’ [1240; Bern.], dan ook het zn. crulle, crolle ‘bocht, haarlok’ [1477; Teuth.]; vnnl. krul ‘ronde haal met een pen’ in een kruysje, een krulletje, een streepje [1617; WNT], ‘gekrulde haarlok’ in u haertjens krullen, krul op krul te samen [1618; WNT]; nnl. krul ‘versiersel met een gebogen vorm’ in lofwerk aen beide de zyden met een krul [1714; WNT], ‘spiraalvormig houtschaafsel’ in spaanders, krullen, zaagmollem ‘spaanders, houtkrullen, zaagsel’ [1752; WNT], (NN) krul ‘openbaar urinoir met krulvormig gebogen wanden’ [1961; Van Dale].
Mnd. crul; mhd. crol, krolle; me. crul (ne. curl) (wrsch. ontleend aan het mnl.); nde. krølle, nno. krull; < pgm. *krulla-, wrsch. met assimilatie <*kruzla-, afleiding van de stam van kroes ‘krullend iets’, zie → kroezen en → kroos.
krullen ww. ‘krullen hebben of maken’. Mnl. crullen, crollen ‘krullen hebben, vertonen’ in crullen ‘gekruld zijn, krullen’ [1240; Bern.], hoer haer ... willen schoen maken of doen crullen ‘hun haar mooi willen maken of doen krullen’ [1437; MNW-P], dat haer crulden hem menichfout ‘zijn haar was een en al krul’ [1465-85; MNW-R]. Afleiding van het zn. krul of van het oude bn. crul.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krul* [omgebogen vorm] {crulle, crolle [krullend] 1201-1250} vermoedelijk verkort uit kroezel [haarlok], vgl. ook middelnederlands crosel [kraakbeen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krul znw. v., mnl. crulle, crolle v. (nnl. dial. krol, o.a. N. Brab.), Teuth. crulle, crolle ‘krul, hoofdhaar’, laat-mhd. krolle ‘krul, lok’, ofri. krulla < germ. grondvorm *krulliō en *krullō. Daarnaast stond ook *krulla in mnd. krul m., mhd. krol, krul, nnoorw. dial. krull ‘lok’, ook als bnw. mnl. crul (nnl. vla.), laat-mhd. krol, ne. crul ‘kroes’. — Germ. *krulla < *kruzla, vgl. daarnaast nnd. krusch, nnoorw. dial. krusken en mhd. krusp, ne. crisp. — Idg. wt. *greus (IEW 390), waarvoor zie: kroes 2.

Opmerkelijk zijn daarnaast vormen met afwijkende klinker, zoals nnd. krillen ‘krullen’, krellen ‘draaien’, krall ‘stevig ineengedraaid’, vgl. ook nwfri. krāl ‘krul, kronkeling’ en krālje ‘krullen, kronkelen als een worm’ (W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 286). Deels als gevolg van een aanpassing aan normale klankwisselingen als tussen brullen en brallen of zulke als sputteren en spatten, deels ook zuiver affectieve klankverandering. — Uit het ww. krullen stamt ne. curl (sedert 1380, vgl. Bense 69).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krul znw., mnl. crulle, crolle v. Nog dial., vooral brab., krol. = laat-mhd. krülle resp. md. (nhd.) krolle v. “krul, lok”, Teuth. crulle, crolle “id., hoofdhaar”. Naast dit *krull(i)ô(n)- staat *krulla-, mhd. (md.) krol, krul, mnd. krul m., Teuth. krol “krulhaar, kuif”, noorw. dial. krull m. “lok” en ’t bnw. mnl. crul (nog vla.), laat-mhd. krol, eng. crul “kroes”. Germ. *krulla- uit *kru-z-la-, idg. *gru-s-ló-: zie verder kroes II. -ll- < -ðl- is minder wsch. Voor ’t taalgevoel verbond zich met kraxll- het idee van “krullen, winden”, zoo verklaren zich ndd. krillen “krullen” (trans.), krellen “draaien”, krall “stevig ineengedraaid” (invloed van dral? Zie dra) e.dgl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krul, krullen. Bij mnl. crulle, crolle v. enz. adde: ofri. krulla v. ‘id.’.
Jonge formaties met andere vocaal, evenals de in het art. genoemde nederduitse, zijn fri. krâl ‘krul’, krâlje ‘krullen, kronkelen’. Vgl. W.de Vries Tschr. 34, 286.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krul v., Mnl. crulle + Mhd. krolle (Nhd. id.), Meng. werkw. crullen (Eng. crul): met ll geassimil. uit zl, en dus met -l- suffix van kroes 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

karoel 1, zn.: varkensstaart. Uit krol ‘krul’, met svarabhaktische a, naar de gekrulde varkensstaart.

kroel, karoel, zn.: spit, rugpijn. Wellicht var. van krul, ook naam van een plantenziekte. Vgl. ook de dial. uitdr. er de krul van krijgen. Wellicht vanwege de gekrulde, gebogen houding bij rugpijn. Karoel met svarabhaktivocaal.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krul, vermoedelijk van kruzl (kroezel), afl. van kroes, zie Kruis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krul ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’ -> Fries krul ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Deens krølle ‘omgebogen haar’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krølle ‘spiraalvormige haarlok’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect crolle ‘haarkrul; spaander; tabakspruim’; Indonesisch kerul ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Indonesisch krol ‘kunstmatige haarkrul’; Ambons-Maleis krol ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Kupang-Maleis karól ‘krultang om haar te krullen’; Kupang-Maleis krol ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Menadonees krol ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Ternataans-Maleis krol ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Creools-Portugees (Ceylon) crél ‘omgebogen vorm van haar’; Papiaments klerchi, krelchi, krùl ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Sranantongo kroru ‘omgebogen vorm, bijvoorbeeld van haar’; Sarnami kroru ‘omgebogen vorm van haar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krul* omgebogen vorm, b.v. van haar 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut