Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruk - (handvat; stok met dwarsstuk; stoel zonder leuning; onhandig persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kruk zn. ‘handvat; stok met dwarsstuk; stoel zonder leuning; onhandig persoon’
Mnl. crucke, cricke, crocke ‘T-vormig stuk hout, haak’ in als eene cricke was eerst ghedaen dat cruce ‘het kruis had aanvankelijk de vorm van een kruk (namelijk een T-vorm)’ [1285; VMNW], ‘loopkruk’ in enen man, die daer met crocken sat ende om almoessene ... bat [1300-50; MNW-R], met crucken te gane [1351; MNW-P]; vnnl. krick, krucke ‘staf, stut, stok met dwarsstuk; stelt’ [1599; Kil.], ‘dwarsstokje als zitplaats voor gekooide vogel’ in een uyltje op een krick [1629; WNT]; nnl. kruk ‘onhandig persoon’ in 't is een kruk [1717; Marin], ‘uitstekend handvat’ in de kruk van de deur [1787; WNT], een ijzeren boor, dewelke bovenaan een kruk of ring heeft [1811; WNT], ‘stoel zonder leuning, tabouret’ in de aspirant-klerk ... beklimt de ... kruk [1842; WNT].
Een woord met de oorspr. betekenis ‘krom voorwerp’, dat hoort bij een groep Germaanse woorden met kr-, die een ronding, een kromming of een haakvorm aanduiden, zoals → krom, → kring, → kramp en → kreuken. De betekenis ‘stoel zonder leuning, tabouret’ is wrsch. ontstaan uit de betekenis ‘(dwarsstokje als) zitplaats voor vogel’.
Os. krukka ‘kruk, kromme stok’; ohd. krucka (nhd. Krücke ‘kruk, stok met handvat’); oe. cryc, crycc (ne. crutch ‘loopkruk’); ozw. kruk(k)ia (mv. krycka) < pgm. *krukjō-.
krukas zn. ‘as met armen die andere machinedelen in beweging brengen’. Nnl. A is de spil, de beweging van de krukas ontvangende [1843; WNT wrijving], koppelstangen, die aan twee ronddraaiende loodrechte krukassen zijn vastgemaakt [1881; WNT wrijven]. Samenstelling van kruk in de betekenis ‘uitstekende arm die draaiende beweging overbrengt’ en → as 1 ‘spil’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruk* [stoel zonder leuning, handvat] {crucke, cricke [handvat, stok als steun] 1285; als ‘stoel zonder leuning’ 1842} oudsaksisch krukka, oudhoogduits krucka, oudengels cryce (engels crutch), zweeds krycka, deens krykke; behoort vermoedelijk bij de stam van kreuken met de betekenis ‘krom zijn’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kruk znw. v., mnl. crucke, crocke, cricke v. ‘stok met een dwarshout, kromme staf, kruk, dwarsstok, haak’, os. krukka v. ‘kruk, kromme staf’, ohd. krucka (nhd. krücke), oe. cryce (ne. crutch) ‘kruk, kromme staf’, nnoorw. krykkja, nzw. krycka, nde. krykke. — Grondvorm is germ. krukjō, die teruggaat op idg. wt. *greug (IEW 389), waarvoor zie ook: kreuken.

Gelijke bet. heeft on. kraki ‘stang met een haak’, vgl. ook krōkr ‘bocht, haak’, krækill ‘kromstaf’. Deze gaan echter terug op idg. *gerg (zie: kreek). Overigens zijn de wortels *gerg en *greug beide afl. van *ger.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kruk znw., mnl. crucke (crocke, cricke) v, “stok met een dwarshout, (kromme) staf, kruk, dwarsstok, haak”. = ohd. chruccha, chruckia v. “kruk, stok met een dwarshout” (nhd. krücke), os. krukka v. “kruk, kromme staf”, ags. crycc v. “id.” (eng. crutch), de. krykke, zw. krycka “stok met handvat, handvat”. Misschien van de bij kreuk besproken basis, in de bet. “krommen, krom zijn”. Maar ook zou de germ. vorm *krukjô- op idg. *gregjâ- kunnen teruggaan en met on. kraki m. “stok met een haak, een soort anker” (zie bij kreek) ablauten. Ontl. uit lat. crucea “kruisstaf” (van crux “kruis”) is niet aannemelijk. Wel kan dit bij ’t germ. woord de bet. “kruisstaf, kromme staf” hebben doen opkomen. Omgekeerd komen it. croccia “kruk” e.a. rom. woorden uit ’t Germ. — Kruk “stumperd, sukkelaar” is ’t zelfde woord, vgl. blok, meubel e.dgl., van personen gebruikt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kruk 2 m. (knoeier), +Fri. krükk: is hetz. w. als kruk 1.

kruk 1 v. (krukstok), Mnl. cruke, Os. krukka + Ohd. kruccha (Mhd. krücke, Nhd. id.), Ags. cryce (Eng. crutch), Zw. krycka, De. krykke: verwant met kreuk. Uit Germ. It. croccia, Fr. crosse, enz. (z. krootse).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

krök (zn.) kruk; Middelnederlands crucke <1300-1350>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kruk s.nw.
1. Lang stok, gewoonlik met 'n dwars kussinkie aan die bo-ent, wat deur gebreklikes, beseerdes en bejaardes as stut gebruik word. 2. Iemand of iets wat 'n hulp of steun vir iemand anders is. 3. Dwarsstang van 'n werktuig wat by die draai of trek daarvan 'n bepaalde beweging aan die gang sit. 4. Stoel sonder 'n rugleuning. 5. Krukker.
Uit Ndl. kruk (Mnl. crucke).
Eng. crutch.

3kurk s.nw. (verouderend)
Kruk (kruk 1 en 2).
Deur metatesis vervorm uit kruk. Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kruk: iemand die lichamelijk of geestelijk gebrekkig is; sukkel; brekebeen*; beunhaas*. Oorspronkelijk een spottende benaming voor iemand die op krukken gaat. Sinds de zeventiende eeuw ook gebruikt in de figuurlijke betekenis.

Verder had er één nog gezegd, dat het naar was; een ander, dat het eigenlijk maar gelukkig was, want dat de jongen toch altijd een kruk zou zijn gebleven, hij stak in een slecht vel. (J.J. Cremer, Daniël Sils, 1856)
Voorin beulden de vedetten zich af om een tempo van 48 kilometer per uur te handhaven, achterin volgden de krukken gezellig pratend. (Tim Krabbé, De Renner, 1978)
‘Wat een kruk,’ zegt Michiel. (Hermine de Graaf, Aanklacht tegen onbekend, 1987)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruk ‘handvat’ ->? Deens krykke ‘dwarsstuk’; Papiaments † kruk ‘handvat’; Sranantongo (doro)kroku ‘deurknop, deurkruk’.

kruk ‘hulpmiddel bij het lopen’ -> Indonesisch kruk ‘hulpmiddel bij het lopen’; Papiaments krùk ‘hulpmiddel bij het lopen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruk* handvat 1285 [CG Rijmb.]

kruk* stoel zonder leuning 1842 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1298. Een kruk,

d.w.z. een onbedrevene, een sukkel; eig. iemand die op krukken gaat? vgl. Antw. Idiot. 187: krukke, spotnaam voor iemand die op krukken gaat; syn. van het 17de-eeuwsche krikkemik, oorspr. driepootige bok om zware voorwerpen op te heffen en fig. iem. die lichamelijk of geestelijk gebrekkig is; thans nog in Zuid-Nederland in den zin van iets dat weinig waarde heeft, een prul, een vod (zie Ndl. Wdb. VIII. 264). Ook komt in dien zin voor hak, waarmede kruk dikwijls verbonden wordt (vgl. nog Fri. en Gron. hakkenkruk, brekebeen, beunhaas), dat oorspr. beteekende boomtak (no. 771) en daarna sukkel, kruk (Ndl. Wdb. V, 1536). Het woord wordt in de 17de eeuw in dezen zin aangetroffen; zie Gew. Weeuw. I, 23: Een weetniet, een kruk; Spaan, opdragt; Rusting, 455; Loosd. Weesk. 40; Haagsche Reize, 40; C. Wildsch. IV, 252; Halma, 295: Kruk, brodder, homme qui n'entend pas son métier; Ndl. Wdb. VIII, 474.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut