Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruisen - (een kruis doen vormen, snijden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kruis zn. ‘twee elkaar snijdende balken, lijnen e.d.
Onl. eerst in het toponiem Crucilo ‘Kruiselt (bij Losser, Overijssel)’, letterlijk ‘bosje bij kruis, kruising’ [eind 10e eeuw; Künzel], dan an themo cruce en an thaz cruce ‘aan het kruis’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. cruce ook ‘afbeelding van een kruis’ in karles cruce ‘het kruis van Karel de Grote, kruis van Lotharingen’ [1220-40; VMNW], ‘paal met dwarsbalk waaraan de doodstraf werd voltrokken’ in cruce ‘kruis, dwarshout’ [1240; Bern.], ‘kruisteken’ in maecte een cruce ‘sloeg een kruis’ [1276-1300; VMNW], ‘kruisvormig merkteken’ in dat ijnghelshe ... sal hebben .iij. crucen ‘op het Engelse (laken) moeten 3 kruisen staan’ [1284; VMNW].
Oude Germaanse ontlening aan Latijn crux (genitief crucis) ‘kruis’, in het bijzonder ‘kruis waaraan Christus stierf’. Verdere herkomst onzeker. Misschien is het verwant met → rug. Ernout/Meillet veronderstellen ontlening aan een onbekende Zuid-Europese taal.
Ook ontleend zijn: os. krūci (mnd. kruze, kruce); ohd. krūzi, kriuze (nhd. Kreuz); ofri. kriūz(e), kriōz(e), krūz (nfri. krús); oe. crūc (maar ne. cross ontleend aan on.); on. kross (nzw. kors, kryss).
kruisen ww. ‘een kruis vormen; laveren; door een andere soort bevruchten’. Mnl. crucen eerst in de betekenis ‘aan een kruis slaan’ in crucen ‘kruisigen’ [1240; Bern.], dan ‘een kruis op iets maken, aankruisen’ in die dese lakene niet ne crucede ‘wie op deze lakenstoffen geen kruis aanbracht’ [1285; VMNW]; vnnl. kruysen ‘dwars door of over iets heengaan’ in nu kruysse ik 't bosch [1620; WNT], ‘laveren, heen en weer varen’ in kruyssende schepen [1643; WNT]; nnl. het kruissen der verschillende rassen ‘bevruchting tussen verschillende soorten’ [voor 1838; WNT]. Afleiding van kruis. De oudste betekenis ‘aan een kruis slaan’ is overgenomen door de afleiding kruisigen, zie onder. De algemenere betekenissen ‘kruisvormig zijn’ en ‘zich kruiselings bewegen’ hebben zich ontwikkeld naar meer specifieke betekenissen. ♦ kruisigen ww. ‘aan een kruis slaan’. Onl. krucigon ‘kruisigen’ in thaz her gecruciget warth ‘dat hij gekruisigd werd’ [ca. 1100; Will.]; daarna pas vnnl. doetslaan, ende crusigen ‘doodslaan en aan het kruis nagelen’ [1525; WNT]. Afleiding van kruis met het achtervoegsel → -igen. Het gewone woord voor deze betekenis was lange tijd kruisen, zie boven. In enkele vroege bijbelvertalingen verscheen reeds kruisigen, onder invloed van het Duits: reeds in het Oudhoogduits kwam krūzigōn voor naast krūzōn ‘kruisen, aan het kruis slaan’. Pas in de loop van de 17e eeuw werd kruisen verdrongen door kruisigen (WNT). ♦ kruiser zn. ‘snelvarend oorlogsschip’. Vnnl. kruyssers [1643; WNT]. Afleiding van kruisen in de betekenis ‘snel heen en weer varen’. Snelle oorlogsschepen plachten in de 17e eeuw bij Shetland te kruisen om de retourvloten uit Indië op te vangen en veilig naar huis te begeleiden. Tegenwoordig wordt met kruiser meestal een snel marinevaartuig aangeduid voor verkenning of voor het begeleiden van transportvloten. In de oudste attestatie verwijst het woord naar een kapersschip: deze pasten dezelfde tactiek toe om hun prooi te vinden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruisen [een kruis doen vormen, snijden, door een andere soort bevruchten] {crucen [kruis(ig)en] 1350; de betekenis ‘door een andere soort bevruchten’ 1838} van kruis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kruisen ww. (scheepsterm) oorspr. ‘heen en weer varen’, dan ook ‘laveren’. — > nhd. kreuzen (sedert 1627); > ne. cruise (sedert 1651), > nfra. croiser, spa. port. cruzar. — Daarvan weer gevormd kruiser ‘schip, dat voor de kust ter beveiliging heen en weer vaart’ (sedert 1681 bekend).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruisen ‘een kruis doen vormen; snijden; met een schip heen en weer varen’ -> Engels cruise ‘op en neer varen; op kruissnelheid rijden of varen; snorren (taxi); rondrijden op zoek naar seksueel contact’; Duits kreuzen ‘zigzaggend varen tegen de wind in; met een schip heen en weer varen’; Deens krydse ‘een kruis doen vormen; snijden, met een kruis merken; met een schip heen en weer varen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens cruise ‘kruistocht, toeristische rondreis op zee’ ; Noors cruise ‘rondreis op zee maken’; Noors krysse ‘een kruis doen vormen; met een schip heen en weer varen’; Zweeds kryssa ‘met een kruis merken’ (uit Nederlands of Nederduits); Lets kruisēt ‘met een schip heen en weer varen’; Maltees mar kruż, mar kruċiera ‘op en neer varen’; Sranantongo kroisi ‘een kruis doen vormen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruisen een kruis doen vormen, snijden 1350 [MNW]

kruisen door een andere soort bevruchten 1838 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut