Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruisbes - (klapbes)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

kruisbes zn. ‘ribes uva-crispa’
Vroegmiddelnederlands croselbusg ‘doornstruik, ramnus’ (1240, Limburg), croesel haghe ‘haag van doornstruiken’ (1281, Limburg), Mnl. crosle (1300-1400), crocel (ca. 1440) ‘doornstruik’, stekebeyeren (1350-1400), krakebesiën ‘kruisbessen’ (1407-08); Vnnl. cnoessele ‘kruisbes’, cnoesselboom (1552), knoeselen ‘kruisbessen’ (1608), croesbesien (1608), Kroes-besie, kroesel-besi(e), kroes-baeye, kruys-besie (1599), cruijsbesseboomtjes (1654).
De variantenrijkdom in moderne dialecten is enorm. De indeling en verklaring die hieronder volgen zijn gebaseerd op Goossens 2002. In veel gebieden begint het woord met steek-, steke- (bijv. Vlaanderen, Gelderland, Noord-Limburg, Nederrijn, grote delen van het Nederduits), wat ons hier niet zal bezighouden. In de meeste andere regio’s is een stam kr_s de basis van het woord. De klinker is daarbij in veel gevallen een WGm. , *u, *au of *eo, maar ook *a en komen voor. In veel gevallen is er een suffix -el, en het geheel kan dan een samenstelling met ‘bes’ vormen, soms ook met ‘doorn’. In sommige dialectgebieden is kr_s_l gedissimileerd tot kn_s_l, in andere is een extra n verschenen voor de s, dus kr_ns_l. Daarnaast kan de s tot sk uitgebreid zijn, dus kr_sk_l. Het woord is in de meeste gevallen vrouwelijk.
Klinkervariatie in de dialecten: met WGm. *au in Limburgs kroosjel, kroeësjel f., Ripuarisch krooschel f., Zwitsers chroosle, Oost-Ripuarisch krun(t)sel; met WGm. *eo in Betuws kriesel, krissel, Overijssels kriesebes, Westfaals kriesbeer; met WGm. in Noordoost-Nl. krüü(s)bees, -bere, -bei, Noord-Hollands kruisbei, Fries krsbei (dit laatste kan uit het Hollands stammen), Zwitsers chru(u)sle, chrüüseli; met WGm. in Brabants knoesel, knoezel, Brabants-Limburgs kroezel, Ripuarisch knuschel, Brabants kronzel, West-Limburgs kroensel, Maastrichts krnsel. Het Franse groseille gaat terug op Oudfrans grosele, dat al vroeg in de Middeleeuwen ontleend is aan Westgermaans *krōsele, dus aan de vorm die in de Brabants-Limburgs-Ripuarische dialecten voortbestaat. De vormen zonder l-suffix zijn pas vanaf ca. 1600 geattesteerd en zijn ook in de dialecten in de minderheid tegenover vormen met l; dat zou erop kunnen wijzen dat we voor de etymologie alleen van *kr_s_l moeten uitgaan en niet van *kr_s.
Etymologisch hebben *kraus- en *krūs- de grootste verspreiding, en zet het suffix een vrouwelijk zn. op *-lō- voort. De wisseling tussen *kraus- en *krūs- komt ook voor in de woordfamilie van kroes ‘gekruld, door elkaar’, Duits kraus (Mnl. cruus, Mnd. krūs, Mhd. krūs ‘gekruld’, Ohd. krūsa f. ‘voormaag’) uit *krūs-, waarbij waarschijnlijk kroos ‘waterplant; klokhuis’ met *kraus- hoort (Mnl. croos, Mnd. krōs ‘(eetbare) ingewanden’), en krul uit *krulla- uit ouder *kruzla-. Daarmee is ‘kruisbes’ al eerder verbonden, waarbij men dacht aan de beharing op de kruisbes. Dat laatste moet waarschijnlijk verworpen worden omdat de oudste betekenis algemener is dan ‘kruisbes’, en omdat het woord in het Frans ook op de aalbes kan slaan. Hoewel struiken om allerlei redenen vernoemd kunnen zijn (bladeren, bessen, habitat, groeivorm, kleur, doornen, enz.), en we dus een beetje in het duister tasten, stel ik voor om gezien de verbinding met ‘kroos’, ‘kroes’, ‘krul’ te denken aan de ‘trossen’ waarin de (rode) bessen groeien (maar was dat bij de oudste vorm van de plant ook zo?), of aan de ondoordringbaarheid van het gewas (vanwege de doornen). Dat krul ook een l-suffix had is dan misschien niet toevallig, we kunnen *kruzl- naast *krṓslō- reconstrueren. De klinkervariant *krōs- moet in navolging van een ander woord zijn ontstaan, maar welk?
Literatuur: Jan Goossens. 2002. Over kruisbessen, knoeselen, kasperten en consoorten. En ook een beetje over het Franse groseille. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 74, 51–68; Klaas Heeroma. 1959. Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden, kaart 29: Kruisbes.
[Gepubliceerd op 27-10-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruisbes* [klapbes] {1854, vgl. kruysbesie, kroesbesie 1599 en croeselbesie 1201-1250} afgeleid van kroes2, vanwege de kroezige haartjes. In de vorm kroes is de vocaal als relict bewaard gebleven, terwijl deze zich in de nevenvorm kruis op normale wijze van oe, via uu, tot ui heeft ontwikkeld.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kruisbes znw. v., mnl. croeselbesie, Kiliaen kroesbesie, kroeselbesie, kroesbaeye, kruysbesie. Samengesteld met het woord kroes, dat een relict-oe bewaard heeft, tegenover de normale klankontwikkeling in kruisbes.

Vgl. voor de talrijke dial. nevenvormen als kries, kriezel, kroezel, knoezel, knoerzel e.a., A. Weynen TTv 1, 1949, 113-118.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kruizemunt znw., in 1551 cruysemunte. = mhd. (15. eeuw) crusemyntze (nhd. krauseminze) v. “kruizemunt”. Vertaling van lat. mentha crispa. Het tweede lid is munt II, het eerste = kroes II. Ditzelfde bnw. in kruisbes, Kil. kroesbesie, kroeselbesi, kroesbaeye, kruysbesie (“Holl.”) kruisdistel en kruisdoren, beide eveneens met reeds oude bijvormen met oe.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kruisbezie v., +Hgd. krausbeere, Zw. krusbär: het eerste lid behoort bij kroes 2 wegens de kroezelige haartjes er op. Van hier Fr. groisele, groseille, waarnaar door dissim. Eng. gooseberry.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Bes (kruis), Ribes uva-crispa
Ribes: betekent dat de vrucht rood wordt.
uva-crispa: is afgeleid van de Latijnse woorden uva en crispus, die respectievelijk druif en kroezig betekenen. De jonge vruchten van de plant hebben een kroezig, borstelig behaard uiterlijk.
Kruisbes: ?

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruisbes ‘klapbes’ -> Zweeds krusbär ‘klapbes’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels kruisbessie ‘(vrucht van de) Grewia occidentalis’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruisbes* klapbes 1545 [Fuchs, Nieuwen Herbarius Cap. 68]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut