Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruis - (twee elkaar snijdende balken, lijnen e.d.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kruis zn. ‘twee elkaar snijdende balken, lijnen e.d.
Onl. eerst in het toponiem Crucilo ‘Kruiselt (bij Losser, Overijssel)’, letterlijk ‘bosje bij kruis, kruising’ [eind 10e eeuw; Künzel], dan an themo cruce en an thaz cruce ‘aan het kruis’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. cruce ook ‘afbeelding van een kruis’ in karles cruce ‘het kruis van Karel de Grote, kruis van Lotharingen’ [1220-40; VMNW], ‘paal met dwarsbalk waaraan de doodstraf werd voltrokken’ in cruce ‘kruis, dwarshout’ [1240; Bern.], ‘kruisteken’ in maecte een cruce ‘sloeg een kruis’ [1276-1300; VMNW], ‘kruisvormig merkteken’ in dat ijnghelshe ... sal hebben .iij. crucen ‘op het Engelse (laken) moeten 3 kruisen staan’ [1284; VMNW].
Oude Germaanse ontlening aan Latijn crux (genitief crucis) ‘kruis’, in het bijzonder ‘kruis waaraan Christus stierf’. Verdere herkomst onzeker. Misschien is het verwant met → rug. Ernout/Meillet veronderstellen ontlening aan een onbekende Zuid-Europese taal.
Ook ontleend zijn: os. krūci (mnd. kruze, kruce); ohd. krūzi, kriuze (nhd. Kreuz); ofri. kriūz(e), kriōz(e), krūz (nfri. krús); oe. crūc (maar ne. cross ontleend aan on.); on. kross (nzw. kors, kryss).
kruisen ww. ‘een kruis vormen; laveren; door een andere soort bevruchten’. Mnl. crucen eerst in de betekenis ‘aan een kruis slaan’ in crucen ‘kruisigen’ [1240; Bern.], dan ‘een kruis op iets maken, aankruisen’ in die dese lakene niet ne crucede ‘wie op deze lakenstoffen geen kruis aanbracht’ [1285; VMNW]; vnnl. kruysen ‘dwars door of over iets heengaan’ in nu kruysse ik 't bosch [1620; WNT], ‘laveren, heen en weer varen’ in kruyssende schepen [1643; WNT]; nnl. het kruissen der verschillende rassen ‘bevruchting tussen verschillende soorten’ [voor 1838; WNT]. Afleiding van kruis. De oudste betekenis ‘aan een kruis slaan’ is overgenomen door de afleiding kruisigen, zie onder. De algemenere betekenissen ‘kruisvormig zijn’ en ‘zich kruiselings bewegen’ hebben zich ontwikkeld naar meer specifieke betekenissen. ♦ kruisigen ww. ‘aan een kruis slaan’. Onl. krucigon ‘kruisigen’ in thaz her gecruciget warth ‘dat hij gekruisigd werd’ [ca. 1100; Will.]; daarna pas vnnl. doetslaan, ende crusigen ‘doodslaan en aan het kruis nagelen’ [1525; WNT]. Afleiding van kruis met het achtervoegsel → -igen. Het gewone woord voor deze betekenis was lange tijd kruisen, zie boven. In enkele vroege bijbelvertalingen verscheen reeds kruisigen, onder invloed van het Duits: reeds in het Oudhoogduits kwam krūzigōn voor naast krūzōn ‘kruisen, aan het kruis slaan’. Pas in de loop van de 17e eeuw werd kruisen verdrongen door kruisigen (WNT). ♦ kruiser zn. ‘snelvarend oorlogsschip’. Vnnl. kruyssers [1643; WNT]. Afleiding van kruisen in de betekenis ‘snel heen en weer varen’. Snelle oorlogsschepen plachten in de 17e eeuw bij Shetland te kruisen om de retourvloten uit Indië op te vangen en veilig naar huis te begeleiden. Tegenwoordig wordt met kruiser meestal een snel marinevaartuig aangeduid voor verkenning of voor het begeleiden van transportvloten. In de oudste attestatie verwijst het woord naar een kapersschip: deze pasten dezelfde tactiek toe om hun prooi te vinden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruis [twee balken die elkaar rechthoekig snijden] {cruce, cruse, cruys 1220-1240} < latijn crux (2e nv. crucis) [paal waaraan misdadigers werden geëxecuteerd]; eig. vormde de paal samen met het patibulum, de dwarsbalk, het kruis, waarna crux tot ‘kruis’ werd, in oneigenlijke zin ‘marteling, ellende’. De uitdrukking iemand het heilig kruis nageven [iem. verwensen] betekent eig. ‘het teken des kruises maken achter de rug van de vertrekkende’, oorspr. achter de duivel, om te voorkomen dat hij terug komt. De uitdrukking kruis of munt gooien sloeg op de gewoonte om de beslissing over wat moet gebeuren te laten afhangen van het vallen van de munt op het kruis, dat in de Middeleeuwen vrijwel altijd op één van de kanten van de munt voorkwam: middelnederlands cruce ende munte [een dobbelspel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kruis znw. o., mnl. crûce v. o. als woord van de bekering < lat. crūce-m van crux ‘kruis’, toen de c voor e reeds als ts uitgesproken werd. Evenzo in os. krūci, m. o., ohd. krūzi o., ofr. kriōce, kriōse, krūs o., oe. crūč. — Het iers nam het lat. woord vroeger over als croch, waaruit miers cross; met de ierse missie werd dit verder gedragen naar oe. cross en vandaar naar on. kross. — Het Gotisch koos daarvoor een eigen woord galga en het oe. zowel gealga m. als rōd v.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kruis znw. o., mnl. crûce v. o. Evenals ohd. krûzi o. (nhd. kreuz), os. krûci m. o., ofri. kriôce, kriôse, krûs o., ags. crûč (zelden) “kruis” een ontl. uit rom. *cruce, gesproken met tˊsˊ (< lat. crucem, accus. van crux); als Christelijk woord (vgl. priester) ontleend. Voor de vocaalverlenging zie bij school I. Echter is kruis geen geleerde ontl. Het Got. gebruikt voor het “Kruis” galga m. (zie galg), het ags. gealga m. of rôd v. (zie roede). On. kross m., eng. cross “kruis” zijn door kelt. bemiddeling (mier. cross) uit lat. crux ontleend (: oier. croch “kruis” < crucem).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kruis o., Mnl. cruus, cruce, Os.crûci, gelijk Ohd. krûzi (Mhd. kriuze, Nhd. kreuz), Ags. crúc, Ofri. krióce, Ier. cross en Fr. croix, uit Lat. crucem, accus. van crux = kruis. Daarvoor zei het Go. galg, het Ags. roede, On. kross (Zw. en De. kors), Eng. cross uit Kelt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kruus (zn.) kruis; Aajdnederlands cruce <1100> < Latien crux.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kruis
Kruis kan in toponiemen slaan op een echt kruis, opgericht als grensteken of ter herinnering aan een bepaald voorval. Een bijzondere functie hadden hagelkruisen, op een gebouw of in het veld geplaatst als voorbehoedmiddel tegen hagelslag. Als huisnaam komt kruis regelmatig voor met een kleuraanduiding, mogelijk naar de afbeelding van een kruis in de gevel: Het blauwe Kruis (voormalige herberg te Aperlo bij Doornspijk) en Het roode Kruis (eveneens bij Doornspijk), Het roode Kruis (bij Haarlem), Het Witte Kruis (bij Beekbergen)1 en Het zwarte Kruis (bij Sint Jacobiparochie)2. In combinatie met pad, straat of weg wijst kruis op de ligging aan een kruising. Bij veldnamen van het type Kruisakker, Kruiskamp en Kruisveld, kan kruis duiden op kerkelijk eigendom of soms op een toegangshek met kruisverstijving. Een van de oudste kruis-namen in Nederland is laat in 10e eeuw in Crucilo (→ Kruisselt).
Lit. 1alle Gille Heringa 1874 136, 2Pott 1899 195.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kruis (Romaans cruce)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Kruis, paal met dwarshout waaraan de doodstraf aan Jezus werd voltrokken; (fig.) symbool van het christendom en van verschillende begrippen daarbinnen; (fig.) afbeelding van het kruis; (fig.) zware moeilijkheid, zorg; handicap.
Een (zwaar) kruis dragen e.d., met een ernstige moeilijkheid moeten leven.
Aan het kruis nagelen, kruisigen; (fig.) laten boeten, straffen; te schande maken.

Centraal in het christendom staat de kruisdood van Jezus. Volgens de christelijke leer is daardoor de zondige mensheid van haar schuld verlost. Het kruisbeeld is dan ook prominent aanwezig in de christelijke kunst en architectuur en dienoverkomstig zijn er ook vele met het woord kruis gevormde afleidingen en samenstellingen, waarvan wij er hier enkele behandelen. Ook zijn er populaire uitdrukkingen als ieder huisje heeft zijn kruisje en kracht naar kruis ontvangen, die als uitdrukking geen bijbelse herkomst hebben. Verder zijn er de bij katholieken gebruikelijke termen kruisteken, een kruis(je) slaan.
Het beeld van het dragen van een kruis vindt zijn oorsprong in de passage in het lijdensverhaal dat Jezus zelf zijn kruis moest dragen van de plaats waar hij veroordeeld werd naar de heuvel waar hij gekruisigd zou worden. Deze zware gang heeft op de gelovigen diepe indruk gemaakt.

Rijmbijbel (1271), v. 26414-26418. Te caluarien dat si quamen. / Dar men die ondadighe te samen. / Tontliuene plach buter stede. / Dar setmen sijn cruce mede. / Al dar crucet si onsen here. (Te Calvarie kwamen ze, waar men de misdadigers gezamenlijk placht om te brengen buiten de stad. Daar zette men ook zijn kruis neer, en daar kruisigden zij onze Heer.)
Ik heb geen ambitie; dat is mijn kruis. (M. Gijsen, Lucinda en de lotoseter, 1968 (1958), p. 139)
De mensen op het journaal kennen mij allemaal Geregeld komen ze bij mij thuis, ieder zwoegend onder zijn kruis: droogte, gebrek, overstroming, een revolutie, vuur of beroving.(Meppeler Courant, dec. 1993)
De verhitte discussies daarover houden het kabinet af van zijn eigenlijke werk, besturen, maar Berlusconi draagt zijn kruis in lijdzaamheid.(NRC, okt. 1994)
[Over een uitvoering van de Johannes Passion:] Diezelfde schare nagelde ten slotte de zo fraai ingezette aria Zerfliesse, mein Herze van sopraan Lena Lootens met een kuchende estafette harteloos aan het kruis. (NRC, 2-4-1999, p. 8)
Hij liet bondscoach Thijs Libregts aan het kruis nagelen omdat deze zich eens had laten ontvallen dat mensen van een bepaald ras moeite zouden kunnen hebben met 'onze' mentaliteit. (NRC, mei 1994)

Kruisweg, weg die Jezus ging, beladen met zijn kruis, van het huis van Pilatus naar Golgota en waarlangs traditioneel bepaalde gebeurtenissen gesitueerd zijn; (fig.) reeks afbeeldingen van rustplaatsen (staties) van Jezus langs zijn kruisweg, in de rooms-katholieke kerk; (fig.) lijdensweg; periode met achtereenvolgende problematische gebeurtenissen.

Op Goede Vrijdag werd Jezus, nadat hij ter dood veroordeeld was, op weg gestuurd naar de heuvel waar hij gekruisigd zou worden. Hij moest daarbij zijn eigen kruis dragen. Deze tocht werd in de Middeleeuwen het voorwerp van devotie, waarbij men stilstond bij de afbeeldingen van scènes die zich op deze weg afspeelden, zoals de ontmoeting met Simon van Cyrene, die Jezus' kruis van hem overnam tot aan Golgota. Zie ook Lijdensweg.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 23:26. Ende als si hem wech leyden, grepen si eenen Simon van Cyrenen, die van den velde quam, ende leiden dat cruce op hem, dat hijt Jesu na soude dragen.
En pater pascallius prostituaan, die de kruisweg had geschilderd, zei [...] (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 314)
Drie statiën kende zijn kruisweg: van kamer 8 (4 bedden) hadden ze hem naar kamer 4 (2 bedden) gebracht, en nu lag hij op kamer 2 (1 bed). (A.F.Th. van der Heijden, Asbestemming. Een requiem, 1995 (1994), p. 109)
Na de vernederingen op het veld, de vele verloren duels, de doelpunten die als rijpe appelen van de boom vielen en de hysterie op de tribunes van het publiek dat zelfs de wissels aangreep voor een staande ovatie, volgde voor Ajax een soort kruisweg naar de spelersbus. (NRC, feb. 1994)

Kruiswoorden, uitspraken van Jezus aan het kruis.

De vier evangelisten geven elk een of meer van de uitspraken van Jezus aan het kruis weer. Samen zijn het er zeven. De term kruiswoord zelf is niet bijbels en is ook niet bekend buiten de christelijke context. Wel worden enkele van de kruiswoorden regelmatig geparafraseerd, zoals 'Het is volbracht', 'Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen', en 'Vader, in uw handen beveel ik mijn geest' (zie ook Geest, Vergeven, Volbrengen).

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 19:28. Daer na als Jesus wiste, dat het nv al volbracht was, op dat die schriftuere veruult soude werden, spreeckt hi, mi dorstet.
In Middeleeuwse spelen treedt de Christusfiguur op; in Bachs Matthaüs Passion klinkt Christus' woord en niemand voelt zich geschokt in zijn gevoelens als gelovige, wanneer een van de kruiswoorden weerklinkt. De devote gemeenzaamheid met de Christusfiguur schijnt na de Renaissance verloren te zijn gegaan. (Algemeen Handelsblad, 22-3-1951)
Het gevoel van godverlatenheid overvalt de besten. Het beklemde zelfs Christus in zijn menszijn, zoals men mag afleiden uit de smartelijke kruiswoorden: Mijn God, Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? (Elseviers Weekblad, 15-9-1962)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kruis. In de Middeleeuwen kende men de eed bi God die hem crucen liet ‘bij Jezus Christus die zich liet kruisigen’. Bij het kruis wordt niet alleen gezworen, het wordt ook aangetroffen in verwensingen. In de historische eedformule bij Gods kruis worden God en zijn kruis tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die formule maakt haar tot lijdensvloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. In het Frans kennen wij de uitdrukking par la croix de Dieu, in het Engels is overgeleverd by God’s cross, gog’s cross en in het Duits potz grutz. De verbastering die bij ons is overgeleverd luidt (by) gan(t)s kruys ‘bij het kruis waaraan Jezus gestorven is’. Uit de verbastering gans cruysen ontstaat mogelijkerwijs gans kruiken en dan vervolgens wellicht ook gans potten en platielen. Een plateel is een vlakke schotel of schaal, van metaal, hout, aardewerk enz. Als bastaardvloek is gans potten en platielen opgetekend in Een Tafelspel van Meester Kackadoris ende een Doof-wijf met Ayeren [1596]: “Siet altijt is hy myn op die hielen, Gans potten en platielen dat is te stout” ‘altijd zit hij mij achterna, verdomd, dat is te vermetel’. In het hedendaags Nederlands kennen wij ook de verwensing zak door je kruis! ‘krijg iets vreselijks’. Natuurlijk gaat het hier om een metaforisch gebruik van kruis in de betekenis ‘lichaamsdeel’. Eenmaal noteerde ik de verwensing krijg nou het kruis van Jezus op je hoofd! De emotionele betekenis daarvan duidt op woede, wrevel, haat, ergernis e.d. en kan weergegeven worden met ‘barst maar, bekijk het even’. → God.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kruis, van ’t Lat. crux, 4e nv. crucem = kruis, zie Crucifix en Galg. In kruisbes bet. kruis hetzelfde als kroes: fijn gekruld (als ’t haar), evenals in kruizemunt, Lat. mentha crispa = gekroezelde munt. Vgl. ’t Mnl.: „dat haer was ghecruyst.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruis ‘lichaamsdeel, stuit’ -> Deens kryds ‘lichaamsdeel, stuit van mens of dier’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch kres, kruis ‘lichaamsdeel, stuit’.

kruis ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ -> Deens kryds ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kryss ‘twee lijnen die elkaar rechthoekig snijden; kruisvormig voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kryss ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins risti ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ ; Ests rist ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch kryž ‘halve slag in kabel’; Ambons-Maleis krois ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’; Kupang-Maleis krois ‘teken waarmee personen die niet kunnen schrijven ondertekenen’; Madoerees kruwes, kruwis, prao kruwes, parao kruwis ‘kruisboot’; Madoerees dialect karuwīs bintang ‘ordeteken in de vorm van een kruis’; Makassaars tôkeng-tôkeng-karôisí ‘hangertje in de vorm van een kruis’; Menadonees krois ‘teken waarmee personen die niet kunnen schrijven ondertekenen’; Ternataans-Maleis krois ‘teken waarmee personen die niet kunnen schrijven ondertekenen’; Singalees kurusa-ya, kurusi-ya ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’; Negerhollands kroes, cruis, krus ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’; Sranantongo kroisi ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’; Surinaams-Javaans krèis ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruis twee balken die elkaar rechthoekig snijden 0991-1000 [Künzel] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

985. Elk huis heeft zijn kruis,

d.w.z. elk huis heeft zijn lijden, geen gezin blijft geheel voor leed gespaard, of, zooals in de 17de eeuw voorkomt, geen huys en vind-me zonder kruys (De Brune, 402); vgl. verder Goedthals, 55: Elck huysken heeft zyn cruysken; Sart. III, 2, 65: Elck huysken heeft syn kruisken; Heemsk. 204: Elck huysjen heeft syn kruys, elck 't syne vinden sal; Tuinman I, 93; Halma, 230: Daar is geen huis of het heeft zijn kruis; Harrebomée I, 341 a; fri. elke hûs het syn krûs; Waasch Idiot. 300 b: ieder huisken heeft zijn kruisken; zoo ook Teirl. II, 65; Antw. Idiot. 583; Rutten, 98; hd. jedes Haus hat sein Kreuz; eng. every house has its trial.

1292. Iemand het heilige kruis (achter)nageven,

d.w.z. iemand verwenschen; hopen, dat hij niet weer terugkomt; vooral gebruikt na een onwelkom bezoek; eig. een kruis slaan achter iemand, oorspr. wel den duivel, om zich tegen zijn terugkeer te beveiligen; hd. einem ein Kreuz nachslagen (Grimm V, 2182). In de 17de eeuw vinden we de uitdr. bij Vondel in den Gijsbr. v. Aemst. vs. 512: Men sloegh u 't heiligh kruis, toen 't leger optrock, na. Meermalen wordt aangetroffen eene verwensching als: 't heilige kruis na je (of na hem)! Zie ook Lichte Wigger, inhout 1 v en Hooft, Schijnh. 442. Vgl. Tuinman I, 20: iemand een kruis naschrijven; Van Eyk II, Nal. 32: hij geeft hem het heilige kruis achterna; Ndl. Wdb. VIII, 424; Nkr. VII, 8 Febr. p. 6; Slop, 32: Dag lievie, adjuus! 't heilige kruis krijg je na! In Twente; ne kruus noa krigen.

1293. Kruis of munt.

Eig. die zijde van het muntstuk, waarop een kruis gestempeld is of de keerzijde. Bijna alle munten hadden in de middeleeuwen aan de eene zijde een kruis, en wanneer dit er niet op stond, dan werd kruis genoemd die zijde, waarop de beeltenis stond van den vorst: de ander zijde heette pila, vanwaar de fr. uitdr. croix ou pile; hd. Kopf oder Schrift; eng. cross or pile; heads or tails. Cruce ende (of) munte werpen was eene reeds in de middeleeuwen voorkomende uitdrukking, die men bij het dobbelspel gebruikte, waarbij gewed werd, welke zijde van de munt boven zou komen te liggen. Zie het Mnl. Wdb. III, 2156; Brederoo III, 242, 47; Halma, 364; Ndl. Wdb. VIII, 426; IX, 1242. Synonieme uitdrukkingen zijn kop of letters (of let); koppers of letters; kop of leeuw fri. letter of liuw; ich of rich (van een mes); menneken of letterken (Gallée, 59 b); stoof of schijt (bij het kooten); hol of bol (bij het opgooien met eene pet); luysen oft noppen (Junius, Nomencl. 215 b); mûnt of vlak (Twente); klingen en dommen (De Bo, 533); in de middeleeuwen zeide men hiervoor ook crucemunten (Stallaert II, 115), en in Vlaanderen gebruikt men thans: klijken; klinkemutsen; dehoofden (of dhoofden); barlikken (Schuerm. 31), enz. Zie Kinderspel en Kinderlust, 3, 69 vlgg.; 4, 76 vlgg.; De Cock1, 286 en vgl. nog de uitdrukking kruis noch munt hebben, fr. n'avoir ni croix ni pile, niets bezitten, dat eigenlijk, daar kruis en munt de twee zijden zijn van éen zelfde muntstuk, eene dwaze uitdrukking schijnt, wanneer men niet weet, dat er vroeger een verschil bestond tusschen een louis d'or en een louis d'argent: dans les louis d'or la pile était la tête ou l'effigie du prince, parce que la croix était de l'autre cóté; dans les louis blancs, au contraire, on appelait la tête du prince la croix, et ses armoiries, qui étaient de l'autre côté, la pile. N'avoir ni croix ni pile signifiait donc exactement n'avoir ni or ni argent (De Cock1, 287).

1294. Een meisje van drie kruisjes,

d.i. een meisje van dertig jaar. Met de kruisjes worden de tientallen bedoeld, die door een kruisje (X) worden voorgesteld. Wellicht is de zegswijze ontleend aan de gewoonte om den ouderdom eener koe door middel van kruisjes op hare horens aan te geven. Vgl. Sart. III, 1, 23: limen senectae tenet, hy heeft die ses kruycen al op sijn hoornen; Bank. I, 61; II, 218; De Brune, 464: Hy heeft ses kruyssen op zijn horens; Huygens VI, 305; 308:

Ses cruyssen en een half, Thien Sessjes met een' Vijf!
Wel Heer van Pietershoeck, en hebt ghij noch geen Wijf?

Br. v. Abr. Bl. I, 187; Ndl. Wdb. VIII, 431; Harrebomée. I, 334 a: de horenkrappen verklappen de jaren der koeZie ook Tuinman I, 333: ‘Hy heeft wat op zyn hoorens. Ik denk dat dit speelt op runderen, die 't getal hunner jaaren in krappen op de horens hebben’; vgl. het fri. hy het al hwet takken (jaarringen) op 'e hoarnen (W. Dijkstra, 423 a); nd. se hett all vele Kreten up de Hören (Wander II, 1604).. Zie voor Zuid-Nederland Rutten, 125; De Bo, 583; Antw. Idiot. 723; Waasch Idiot. 376 b. In 't Afrik.: Hy het al 'n paar kruisies agter die rug.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut