Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kruid - (klein groen gewas; specerij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kruid zn. ‘klein groen gewas; specerij’
Onl. krūt ‘kruid’ in also in themo gardon allerslahta krud gruoient ‘zoals in de tuin allerlei kruiden groeien’ [ca. 1100; Will.]; mnl. crut ‘kruid, geneeskrachtige plant’ [1240; Bern.], cruut, cruyt ‘groen gewas’ in blomen ende scone cruut ‘bloemen en mooi groen’ [1260-80; VMNW], ‘eetbare plant, groente’ in cruud ende lettel el ‘groente en weinig anders’ [1285; VMNW], ‘kruiderij, specerij’ in pepre van india ... die moeder es van alle cruden [1287; VMNW], cruyt ende poeder ‘kruiderijen en specerijen’ [1377-78; MNW].
Os. krūd ‘onkruid’ (mnd. krude ‘kruiderij’, waaraan ontleend nzw. kryddor ‘kruiderijen’); ohd. chrūt ‘groente, kool’ (nhd. Kraut ‘kruid, specerij’, dial. ‘kool’); < pgm. *krūda-.
Indo-Europese verwanten zeer onzeker. Op grond van de afwijkende betekenis en het betekenisveld ‘flora’ kan het woord ook ontleend zijn aan een substraattaal.
In het Middelnederlands ontwikkelde zich de betekenis ‘explosieve stof’, zie → kruit.
kruidenier zn. ‘handelaar in grutterswaren’. Mnl. crudenare, crudenere ‘kruidenhandelaar, apotheker-drogist’, als beroepsnaam en toenaam in Heinrijchs vander brugghen des crudeners ‘van Hendrik van der Bruggen, de kruidenhandelaar’ en Symons crudeneren ‘van Simon Kruidenaer’ [beide 1248-71; VMNW], thiedric van gend crudenare ‘Diederik van Gent, kruidenhandelaar’ [1292-93; VMNW], dan ook de vorm cruydenier in meesters van medicinen en cruydeniers ‘geneesheren en apothekers’ [1481; MNW]; vnnl. kruydenier ‘kruidenhandelaar, drogist’ [1599; Kil.]; nnl. kruidenier ‘handelaar in grutterswaren en in specerijen die niet voor geneeskundig gebruik bestemd zijn’ in de apothekers, of artzeny-bereiders, van het gilde der kruideniers gescheiden [voor 1770; WNT]. Afleiding van mnl. cruut, eerst met het achtervoegsel → -aar, met als varianten -er(e), -eer; daarna steeds vaker met het achtervoegsel → -ier. Aanvankelijk bereidden en verkochten kruideniers medicijnen, die bestonden uit (mengsels van) planten en plantendelen. Ook koffie, thee e.d. golden als medicinaal en werden door de kruideniers verkocht. Geleidelijk gingen kruideniers steeds meer kant-en-klare waren verkopen, terwijl de bereiding van medicijnen werd overgenomen door apothekers. Zo kreeg het woord kruidenier de moderne betekenis. ♦ kruidnagel zn. ‘specerij’. Mnl. eerst de niet-samengestelde vorm naghel in een verendel naghele ‘een kwart pond kruidnagels’ [1286; VMNW], ook de samenstelling gheroffelsnaglen ‘kruidnagels’ [1287; VMNW]; vnnl. naeghel, kruydnaeghel ‘kruidnagel’ en kruydnaghel, groffelnaghel [beide 1599; Kil.]. Samenstelling van kruid in de betekenis ‘specerij’ en → nagel ‘spijker, pin’, naar de vorm van de kruidnagel.
Lit.: Schönfeld, par. 176

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kruid* [gewas] {cruut 1236} oudsaksisch krūd [onkruid], oudhoogduits krūt [groente, kool]; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kruid znw. o., mnl. cruut o. ‘kruid, gewas, eetbare plant, specerij, geneeskrachtige plant’, os. krūd ‘onkruid’, ohd. chrūt (nhd. kraut) ‘klein bladgewas, groente, kool’, laat-ofri. krūd. — Het is bedenkelijk voor een woord, dat op een zo beperkt gebied voorkomt, aanknopingen in het idg. te zoeken; men vermoedt verwantschap met gr. brúō ‘ontspruiten, kiemen’, maar dit gaat zelf terug op een idg. wt. *geru- ‘stang, spies’, vgl. av. grava- ‘stok’, lat. veru ‘speer’, got. qairu ‘paal, stekel’ (IEW 479). — In een geval als dit kan men herkomst uit een substraattaal overwegen. — Zie ook: krodde 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kruid znw. o., mnl. cruut (d) o. “kruid, gewas, eetbare plant, geneeskrachtige plant, specerij”, laat-mnl. ook “buskruit”. NB. Nnl. kruit o. is ’t zelfde woord als kruid. = ohd. chrût o. “klein bladgewas, groente, kool” (nhd. kraut), os. krûd o. “onkruid”, laat-ofri. krûd o. (in owfri. busse-kruud “buskruit”). Misschien verwant met gr. brúō “ik zwel” (van planten), brúon “mos, wier, bloemknop, bloesem”, die echter ook anders verklaard kunnen worden. De verdere combinaties: 1. met ier. bir, lat. veru “braadspit”, av. grava- “rietstok, stok”, 2. met lit. gìrė “bosch”, 3. met arm. car “boom” zijn onwsch. Vgl. kruien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kruid o., Mnl. cruut, Os. crûd + Ohd. krût (Mhd. krût, Nhd. kraut + Gr. brúon = mos, émbruon: Idg. wrt. ɡru.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kroed (zn.) gewas; Aajdnederlands krut <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kruid s.nw. (gewoonlik in die vorm kruie as mv. of kollektief) Ook soms krui.
1. Plant soos boegoe, wildeals, e.d. wat geneeskundig gebruik word. 2. Enigeen van 'n groot aantal welriekende plante wat in die kookkuns gebruik word om voedsel geuriger of smaakliker te maak.
Uit Ndl. kruid (Mnl. cruut). Die wisselvorm krui is 'n verkorting van kruie, die mv. van kruid. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880) in die vorm kruië en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm kruie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kruid ‘gewas’ -> Frans dialect cruau, cruyaulx, krüwǫ, kriǫ ‘slechte grassen (onkruid)’; Negerhollands kruid ‘gewas, onkruid’.

kruid ‘specerij’ -> Noors krydder ‘specerij’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds krydda ‘specerij’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ryyti ‘specerij’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kruid* gewas 1100 [Willeram]

kruid* specerij 1361-1362 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal