Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kroot - (rode biet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kroot zn. ‘rode biet’
Vnnl. eerst in de vorm karote in rapen, wortels, karoten ‘rapen, wortelen, bieten’ [1569; WNT], dan ook krote, kroot in pijnsternaek'len, bietwort'len, of kroten ‘pastinaken, bieten of kroten’ [1615; WNT wortel].
Ontleend aan Frans carote ‘wortel’, [1538; Rey] (later carotte), geleerde ontlening aan Latijn carōta, dat zelf ontleend is aan Grieks karōtón ‘wortel’ of aan het meervoud karōtá daarvan. Het Griekse woord is mogelijk een afleiding van kárā ‘bovenste, kop, top’ en dan wrsch. verwant met → hoorn. De klinker in de onbeklemtoonde eerste lettergreep viel in het Nederlands door verdoffing al vrij snel weg, maar karote bleef nog lang als nevenvorm bestaan en is in het West-Vlaams nog steeds gebruikelijk.
Ook aan het Frans ontleend vne. carot, ne. carrot ‘wortel, peen’, en hd. Karotte ‘id.’.
De benaming werd gebruikt voor verschillende soorten eetbare wortels, zoals blijkt uit geele en roo karooten ‘gele en rode wortelen’ [1665; WNT pinksternakel]; in het Noord-Nederlands werd kroot een naam voor ‘beetwortel, rode biet’, in het West-Vlaams zijn karoten ‘wortelen, penen’. Zie ook → karottentrekker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kroot [biet] {karoot 1569, kroot 1615} < frans carotte < latijn carota [peen] < grieks karōton [peen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kroot znw. v. ‘biet’ sedert Kiliaen karoot, nnl. dial. (Z. Nl.) karoot, karote < fra. carotte < lat. carōta < gr. karōton. — Vgl. ook ne. carrot en nhd. karotte.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kroot znw., zuidndl. karoot, karote, deze vorm sedert Kil. Voor den a-wegval vgl. kleur. Uit fr. carotte of direct uit lat. carôta “peen” (< gr. karōtón). Ook in du. diall. ontleend; eng. carrot, nhd. karotte v. uit ’t Fr.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

karoot v. (kroot), uit Fr. carotte, van Lat. carotam (-a), Gr. karōtón.

kroot v., Mnl. carote: z. karoot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kroot (zn.) biet; < Frans carotte.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kroot (Frans carotte)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kroot, karoot ‘biet; (oorspronkelijk) peen’ -> Duits Karotte ‘wortel, peen; (dialect) rode biet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kroot biet 1569 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut