Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kronkelen - (bochten maken)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kronkelen o.w., denom. van kronkel, dat een dimin. is van *kronk + Ndd. krunke = krul, rimpel: van den zw. graad van Germ. wrt. kriŋk, waarover bij kring.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

krunkele (ww.) 1. kreuken 2. kronkelen; Nuinederlands kronkel <1599>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krank, van den Germ. wt. kring, krink = zich krommen, dus gekromd als een doodelijk gewonde, waaruit de oorspr. bet. van zwak is te verklaren, en de latere van ziek. Vgl.: „Mijn gheluck es so cranc.”Kronkel is een verkleinw. van kronk (Vlaamsch) = kring; en van kronkel komt het w.w. kronkelen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut