Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kronen - (de kroon opzetten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kroon zn. ‘kransvormig hoofdsieraad; munt’
Onl. korona ‘vorstelijk hoofddeksel’ in thie thornina coronan ‘de doornenkroon’ [ca. 1100; Will.]; mnl. crone ‘id.’ in bi [mire] cronen ‘bij mijn kroon (beloof ik)’ [1201-25; VMNW], ‘zegekrans’ in crone ‘krans, lauwerkrans’ [1240; Bern.], gi spannet crone ‘jij wordt geëerd boven allen’ [1265-70; VMNW], ‘heerschappij, regering’ in int .xv.de iaer van sire crone ‘in het vijftiende jaar van zijn heerschappij’ [1285; VMNW], ‘zekere munt’ twintich Vrankrijcsche kronen ‘20 Franse kronen’ [1409; MNW utereiker].
Ontleend aan middeleeuws Latijn corona ‘koningskroon’, uit algemener klassiek Latijn corōna ‘krans, lauwerkrans, bekroning’, dat zelf ontleend is aan Grieks korṓnē ‘kroon, ringvormige afsluiting’. In het Nederlands trad reductie van de eerste, onbeklemtoonde lettergreep op.
Van Grieks korṓnē is de etymologie onzeker. Misschien is het een afleiding van het bn. kurtós ‘gebogen’, en dan wrsch. verwant met: Latijn curvus ‘gebogen’; Avestisch skarəna- ‘rond’; Russisch kórtočki ‘het hurken’; Middeliers cor ‘cirkel’; < pie. *(s)kor-/kr- ‘draaien, buigen’ (IEW 935).
Op Franse munten stond een kroon afgebeeld; men noemde deze daarom couronne [ca. 1340; Rey], dat op hetzelfde Latijnse woord teruggaat. De betekenis ‘munt’ in het Nederlands is dus ontleend aan het Frans. Later kregen ook andere munten en munteenheden om dezelfde reden de naam kroon.
Hetzelfde Latijnse woord werd al eerder ontleend als → kruin.
kronen ww. ‘de kroon opzetten, de vorstelijke waardigheid verlenen’. Mnl. cronen ‘bekransen’ in ghecroent met lauwerbome ‘getooid met kransen van laurier’ [1285; VMNW], ‘de kroon opzetten’ in dat sine souden ... cronen keyser ‘dat zij hem tot keizer zouden kronen’ [1331-35; MNW-R]. Afleiding van kroon.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kronen ww., mnl. crônen ‘kronen, bekransen’ is eerder evenals mhd. krænen een afl. van kroon dan zoals ohd. corōnōn, chrōnōn een afl. van lat. corōnāre ‘bekransen, kronen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kronen ww., mnl. crônen “bekransen, kronen”. Of evenals ohd. corônôn, chrônôn een ontl. uit lat. corônâre “bekransen, kronen” òf evenals mhd. krænen (nhd. krönen) “id.” een afl. van kroon. Ook mnd. krônen “bekransen, kronen”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kronen ‘de kroon opzetten, de vorstelijke waardigheid verlenen’ -> Deens krone ‘de kroon opzetten, de vorstelijke waardigheid verlenen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krone ‘de kroon opzetten, de vorstelijke waardigheid verlenen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut