Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krom - (bn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krom bn. ‘niet recht’
Onl. krumb ‘krom’ in de plaatsnaam Crumbeke ‘Krombeke (West-Vlaanderen)’ [875, kopie 961; Gysseling 1960]; mnl. crump ‘gebogen, niet recht’ [1240; Bern.], meestal al crom, zoals in uoghelen met crommen becken ‘vogels met kromme snavels’ [1287; VMNW].
Ohd. krumb (nhd. krumm); oe. crumb; ofri. krumb (nfri. krom, krûm, met een daarvan afgeleid werkwoord krieme ‘wenden’); alle ‘krom’, < pgm. *krumba- ‘krom’. Veronderstelling van een nevenvorm *krumpa- ‘krom’ is niet nodig: de door NEW hierbij genoemde vormen zijn niet geattesteerd (ohd. krumpf) of zijn dialectvarianten van krumb-.
Buiten het Germaans wordt ter vergelijking vaak verwezen naar Grieks grumpánein en grupós ‘krom’, bij de wortel pie. *gerb- ‘zich samentrekken’ (IEW 287), maar de beperkte verbreiding maakt dat twijfelachtig. Kuhn (1960) wil het woord bij de substraten rekenen en verwijst naar Grieks krámbos ‘dor, verschrompeld’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krom* [gebogen] {in de plaatsnaam Crumbeke, nu Krombeke (W.-Vl.) <875>, crom, crump 1201-1250} oudsaksisch, oudfries, oudhoogduits krumb, oudengels crumb, behoort bij krimpen; verwantschap met grieks grupos [krom] is mogelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krom bnw., mnl. crom, cromb, cromp, os. krumb, ohd. chrumb (nhd. krumm), ofri. krumb, oe. crumb. — Men vergelijkt wel gr. grumpánein (Hes.) ‘kromtrekken’, grupós ‘krom’ (IEW 387), maar het is de vraag, of men dit uitsluitend westgerm. woord uit het idg. mag afleiden. — Naast germ. *krumba staat *krumpa, vgl. nnl. dial. kromp, ohd. chrumph, oe. crump, die bij krimpen behoren.

Daarentegen wil H. Kuhn, Festgabe Κ. Wagner (1960) dit woord verbinden met gr. krámbos ‘dor, ingedroogd, verschrompeld’, daarbij aannemend dat het met onverschoven k uit een idg. taal in het noordwestelijk gebied van het westgerm. zou zijn overgenomen; zie ook: kerven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krom bnw., mnl. crom (mm), dial. cromp (mb). = ohd. chrumb (nhd. krumm), os., ofri. krumb, ags. crumb “krom”. Een auslaut-variant van ndl. dial. kromp, ohd. chrumph, ags. crump: zie krimpen en kramp. Buiten ’t Germ. zouden lett. grumbt “rimpelen”, obg. grąbŭ “ruw, onbeschaafd” (of met idg. b? Of idg. *ghru-m-bho-, bij grof?) direct verwant kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krom bijv., Mnl. crom, cromp, Os. crumb + Ohd. krumb (Mhd. krump, Nhd. krumm), Ags. crumb, Ofri. id.: van den zw. graad van Germ. wrt. krimb, terwijl Eng. crump van denz. graad van wrt. krimp (z. krimpen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kroomp (bn.) krom; Aajdnederlands krumb <875>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krom liggen ‘geen geld hebben’ (Duits krumm liegen?)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krom ‘gebogen’ -> Deens krum ‘gebogen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krum ‘gebogen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds krum ‘gebogen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect cromb, cron, kromp; cronbin ‘krom; scheef; kreupel, misvormd; oneerlijk’; Petjoh kerom ‘gebogen’; Negerhollands krom ‘gebogen’; Sranantongo kron, (ouder: krom) ‘gebogen, scheef’; Aucaans koon ‘bocht(ig)’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) krom ‘gebogen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krom* gebogen 0875 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1009. Zich jakes (of sjakes) houden,

d.i. zich stil, zich van den domme, onwetend houden; van krommen haas gebaren (Land v. Waas); ook: zich koest houden. Tuinman I, 185 vermoedt dat dit gezegde ‘gesproten is van ymand die Jaques hiet, en zich dus gedroeg’, wat niet onwaarschijnlijk is, daar, volgens Van Moerk. 609 in Mr. Willem van Bruyningens Vlaamsche klucht van Sinjoor Jakus Smul (anno 1645), die Jacus (Jacques) zich in een spinde doodstil moet houden. De uitdr. komt o.a. voor bij Spaan, 251: Daar stond de Boer toen en keek of hy in de sneeuw gescheten hadde; egter hield hij hem Jakes; E.v. Hoven's kluchtspel, De Student, Stalknecht (anno 1700), bl. 23: Jou Juffrouw is Patient, en hy speeld voor Apteker. Hou jy jou Sjakes; zie nog twee plaatsen uit de 18de eeuw bij Oudemans VI, 294 en Ndl. Wdb. VII, 150. In vele streken van ons land is de uitdr. bekend; zie Boekenoogen, 375; 1321; V.d. Water, 131; Opprel, 82; Nieuw Nederl. Taalmagazijn II, 224 (Zuid-Beveland); Bouman, 48; Köster Henke, 61: Sjaak of sjaakies, kalm. Houd je sjaakies; Landl. 72: Toon hou je sjakies; bl. 105: Hou jij je maar sjakies (ook bl. 169); Jord. 44; 369: Hou je sjoakies; Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 1 k. 3: Desniettemin hielden de ‘intelligenties’ zich sjakes en kwam er geenerlei protest; S. en S. 52: Sluit de deur toe, en spreek me wat sjakies, of ik breek je ribbe; bl. 70: De Horrelpoot zet er sjakies 't blind weer voor; bl. 82: De jenever zat nog in d'r hersens, maar zij hieuwen zich sjakies; Jord. II, 355: Houje sjaakies.... sarde Matje. - Mag ook vergeleken worden het Zuidndl. zjaak zijn, dood, kapot zijn; heimelijk weggenomen, gekaapt (zie Antw. Idiot. 2175).(Aanv.) Alhier had moeten worden verwezen naar 't fr. faire le Jacque(s), zich onnoozel houden, dat evenwel van jongen datum is.

Syn. is zich luikes houden (Taalgids I, 284; Jong. 134; 190; De Meerbode, 9 Mei 1914, p. 5 k. 5: D'r wazze veul ofciere op 't dek, maar de kapteyn hieuw 'm luykes); ook zich doodluikes houden (Ndl. Wdb. III, 2852); zich lukes holden (Gallée, 27; V. Schothorst, 169; Franck-v. Wijk, 380 b), zich leuk houdenVgl. Brederoo, Sp. Brab. vs. 714: Trouwe Luyckes je kent, d.i. volgens Terwey - De Vooys: Inderdaad, leukerd, jij hebt er verstand van; woordspeling met Lukas en luiken, dus ‘gesloten’.; zich fûk houden (Gallée, 12); het bij Sewel, 465 voorkomende: houd u Luiteraansch, houdt u of gy nergens van wistIn de Gew. Weeuw. III, 19 staat: ‘Hy houdt hem Chakertje, puer of hy weerom zou raazen’, alwaar om dit toevoegsel wel niet aan ons jakes kan worden gedacht.; in Zuid-Nederland: u Pîet houden, stil, zwijgend (Waasch Idiot. 517 b; Schuerm. 476 b); zijn eigen konsjuus houden (in Antw. Idiot. 692).(Aanv.) l. u Piet houden. Zie nog voor ‘zich luikes houden’ het Ndl. Wdb. VIII, 3239.

2404. Lange (of kromme) vingers hebben,

d.i. zijne vingers te ver uitsteken, zijne handen niet voor zich kunnen houden, diefachtig zijn. Vgl. Poirters, Mask. 233: Desen Hovelingh stack sijn vingheren wat te verre uyt; mnl. elcken vingher is hem eenen haeck weert, iedere vinger doet hem den dienst van een haak (Mnl. Wdb. III, 31); Sart. I, 1, 18: wacht u van die krom gevingert sijn, rapacitatem fugiendam docet; De Brune, 219; Tuinman I, 76: Hy heeft kromme vingers, dit zegt men van ymand die diefachtig is, en van zijne vingeren haaken maakt; Adagia, 69; Harrebomée II, 381 b; Ndl. Wdb. VIII, 320; Molema, 229: kromvingerd wezen, kromme vingers hebben, diefachtig zijn; fri. lange fingers hawwe; afrik. lang vingers hê; Joos, 78: hij heeft lange of kromme vingers; De Bo, 1326 b; Antw. Idiot. 745: lange vingeren hebben; Land v. Aalst: zijn vingeren zijn te lang; hd. lange, krumme Finger haben (oder machen); eng. to be (of the) long (or light) -fingered (gentry); fr. avoir la main crochue ou les doigts crochusDr. D.C. Hesseling deelt mij mede, dat men op Lesbos in denzelfden zin zegt: Zijn nagels zijn lang..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut