Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krodde - (herik)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krodde2* [herik] {1854} mogelijk verwant met kruid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krodde 2 znw. v. naam voor ‘herik, sinapis arvensis’ (Gron. Friesl. oostel. Nl., West-Friesland, Zuid-Holland), ook voor perzikkruid, polygonum persicaria (Groningen, Oost-Drente, West-Friesland). Gaat men uit van een grondvorm *krŭðjō, dan kan men het woord verbinden met *krūða, waarvoor zie: kruid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krodde (sinapis arvensis). Een vooral N.-Holl., fri., gron., ook dial. ndd. woord. Oorsprong onzeker. Gron. ook krok, krol, kror.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krodde v. (kiek), + Ndd. en Fri. id.: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Krodde (witte), Thlaspi arvense
Thlaspi: is afgeleid van het Griekse werkwoord thlaco = kneuzen, fijn drukken en heeft betrekking op de platte zaden.
Arvense: slaat op de groeiplaats, namelijk vooral op en langs akkers en bouwlanden.
Witte krodde: de naam Krodde is waarschijnlijk afkomstig van het oude woord krode in de betekenis van last of hinder. Later werd het woord krode als krodde overgebracht op deze plant, die als een lastig en hinderlijk akkeronkruid beschouwd werd. Wit slaat op de witte bloemen van de plant.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Thláspi | Thláspi arvénse: Witte krodde
De naam Thlaspi is afgeleid van het Griekse werkwoord thlaco: kneuzen, fijn drukken en heeft betrekking op de platte zaden. Volgens anderen heeft het betrekking op het gebruik om de fijn gewreven zaden van bepaalde soorten als mosterd aan te wenden. De wetenschappelijke soortnaam arvense slaat op de groeiplaats, namelijk vooral op en langs akkers en bouwlanden (arvum: akker). De naam Krodde is waarschijnlijk afkomstig van het oude woord krode in de betekenis van last of hinder. Later werd het woord krode als krodde overgebracht op deze plant, die als een lastig en hinderlijk akkeronkruid beschouwd werd. De naam Witte kiek (ook Witte keek) in het Groningse beduidt eveneens onkruid. In het Nieuw Gronings Woordenboek van K. ter Laan vinden we het volgende opgetekend: ‘onkruid dat veel op mosterdzaad gelijkt, vandaar het spreekwoord Kiek is gaan mosterdzaad, mor blui is geliek: schijn bedriegt.’ De toevoeging Witte duidt op de witte bloempjes.
Het plantje valt niet op door zijn bloempjes, die klein zijn, maar door de breed gevleugelde hauwtjes. Naar de vorm van deze hauwtjes ontstonden vele volksnamen. We noemen Dubbeltjeskruid, Stuivertjesblad, Lepeltjes, naar de overeenkomst met een ouderwetse lepel. Elders zag men in de vorm een ouderwets tasje en sprak van Tasjes, Tasjeskruid, Taskruid en Taskers. Bij kinderspelletjes dienden de vruchtjes als geld, Judaspenning naar de gelijkenis met die van de echte Judaspenning (Lundria annua). Een oude benaming is Visselcruyd (bij Dodonaeus). Deze naam vindt men verbasterd terug als Visjeskruid, Visseskruid en zelfs als Wisselkruid. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal vinden we onder het hoofd Vissel of Vitsel: ‘Bij Kiliaen en zijn navolgers vermeld met de betekenis ‘Kaasvorm,’ als voortzetting van een reeks in oudere glossaria voorkomende Vissele, vermoedelijk uit latijnse fiscella. Een benaming voor de Witte krodde en voor het geslacht Thlaspi in het algemeen. Wegens het vermelde gebruik als middel om kaas te kruiden is het niet onmogelijk dat het etymologisch identiek is met het voorgaande, het zou dus zijn: kruid dat men in de kaasvormen doet.’
In het Zuidhollandse spreekt men van Klaspis, hetgeen wel een verbastering van Thlaspi zal zijn. Een Duitse volksnaam luidt Klasper, ook hier een verbastering. In het Land van Hulst spreekt men van Witte walderik. We veronderstellen dat de naam duidt op het ook wel voorkomen langs de kanten van sloten, want in Zeeland beduidt wal een sloot en wel in het bijzonder een brede sloot om de boerderij. De zaden smaken scherp en ruiken bij het stukwrijven naar mosterd. Zo ontstonden namen als Boerenmosterd, Wilde mosterd, en ook Boerenkers naar de scherpe smaak. Men voegde namelijk de hauwtjes aan de spijzen toe om deze te kruiden. Vanwege de niet voor iedereen aangename geur spreekt men in Friesland van Stonktaskes: Stinktasjes. In de volksgeneeskunst was dit kruid niet veel in gebruik. De zaden werden aangewend als bloedreinigend middel bij rheuma en verzweringen. Zo luidt een recept uit 1682 voor inwendige zweren: ‘Neemt het zaet een vierendeel loots ende geeft het met eenig bequam nat in.’

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut