Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kritiek - (zn. en bn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kritiek 1 bn. ‘beslissend, cruciaal; hachelijk’
Vnnl. eerst in de betekenis ‘streng oordelend, kritisch’ in eenige critycque geesten ‘enige kritische personen’ [1657; WNT kritiek I], dan ‘cruciaal in medische zin, gevaarlijk’ in een koorts Critice ‘een kritieke koorts’ [1678; WNT repelleeren]; nnl. critique, kritiek ook ‘in overgangstoestand, cruciaal, hachelijk’ in zekere critique levensperiode [1780-81; WNT], dat de tijden critiek waren [1782; WNT].
Ontleend aan het Franse bn. critique ‘cruciaal, doorslaggevend’ [1762; TLF], eerder al cretique ‘kritiek (in medische zin)’ [1372; TLF], geleerde ontlening aan Latijn criticus ‘kritisch; kritiek in medische zin’, ontleend aan Grieks kritikós ‘kritisch, in staat tot oordelen; beslissend, kritiek’, zie → kritiek 2.
De betekenis ‘streng oordelend’ is overgegaan op de via het Hoogduits ontleende vorm → kritisch, evenals de natuurwetenschappelijke toepassing van de betekenis ‘cruciaal, op een overgangspunt’.

kritiek 2 zn. ‘beoordeling; negatieve beoordeling’
Nnl. critique, critiek ‘negatieve beoordeling’ in de ongegrondheid der gedaane critique [1763; WNT wel V], ‘bespreking, beoordeling’ in eer de critiek verscheen [1800; WNT voedsterling], ‘de gezamenlijke beoordelaars’ in geen beginneling ..., die aanspraak mag maken op de toegevendheid der critiek [1877; WNT].
Ontleend aan het Franse zn. critique ‘het bekritiseren’ [1663; TLF], eerder al ‘(wetenschappelijke) beoordeling, oordeel’ [1580; TLF], later ook ‘de gezamenlijke beoordelaars’ [1810; TLF], geleerde ontlening aan Latijn criticus ‘kritiek; beoordelaar’, zie → criticus.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kritiek [beoordeling] {criticque 1761} < frans critique [beslissend] < latijn criticus [in staat een oordeel te vellen, beoordelaar, kunstrechter] < grieks kritikos [in staat te onderscheiden, beoordelaar, rechter], van krinein [scheiden, onderscheiden] (vgl. crisis).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kritiek znw. v., zal wel teruggaan op fra. critique (sedert 14de eeuw) < gr. kritikḗ ‘kunst geschriften te beoordelen’. Het bnw. kritiek < lat. criticus ‘beslissend, ernstig’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kritiek znw. Een internationaal woord, teruggaande op gr. kritikḗ. Bij ons wsch. uit fr. critique. Evenzoo ’t bnw. kritiek “beslissend, gevaarlijk, ernstig”; kritisch komt uit ’t Du.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kritiek (Frans critique)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Kritiek (< Gr. κριτικός = tot het beoordelen behorend; κρίνειν = beoordelen). Adj. Math. gebruikt ter aanduiding van bijzondere punten of getallen. B.v. kritieke punten van een kegelsneden-net, d.z. punten, die middelpunt zijn van alle kegelsneden van een bundel uit het net. Men hoede zich voor het Germanisme kritisch, dat in de physica is ingeslopen (kritische temperatuur).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kritiek ‘beoordeling’ -> Indonesisch kritik ‘beoordeling; kritisch’; Javaans kritig ‘beoordeling, aanval’; Kupang-Maleis karitik, kritik ‘beoordeling’; Makassaars karîtí ‘afbrekende kritiek’; Menadonees kritik ‘beoordeling’; Sranantongo kritik ‘beoordeling’; Surinaams-Javaans kritig ‘beoordeling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kritiek beoordeling 1761 [WNT subtiliteit] <Frans

Hosted by Meertens Instituut