Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kristal - (glasachtig mineraal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kristal zn. ‘glasachtig mineraal’
Mnl. cristal ‘kristal’ [1240; Bern.], kerstal, kerstael ‘rotskristal’ in hart ende vast gheliic kerstale ‘hard en stevig als kristal’ [1285; VMNW], claer als kerstael ‘zo helder als kristal’ [1287; CG II], kerstale ‘stukken kristal’ [1287; VMNW], witter dan cristael [1340-60; MNW-P].
Ontleend aan Frans cristal ‘kristal’ [1080; Rey], een geleerde ontlening aan Latijn crystallus ‘ijskristal, rotskristal’, ontleend aan Grieks krústallos ‘id.’. De nevenvorm mnl. kersta(e)l ontstond door r-metathese zoals in → kerst; de gewone vorm bleef onder invloed van het Frans en Latijn echter kristal.
Grieks krústallos is een voor-Grieks substraatwoord. De uitgang -allos komt niet voor achter Indo-Europese of Griekse woordstammen en het woord is dan ook niet afgeleid van krúos ‘vrieskou, vorst’, zoals meestal beweerd wordt. Ook is er geen verband met → korst, zie aldaar.
kristallen bn. ‘van kristal’ en kristallijn bn. ‘met de structuur van kristal’. Mnl. cristalijn ‘(als) van kristal’ [1460-80; MNW-P], cristallen ‘id.’ [1461; MNW], een cristalen vat ‘een kristallen vat’ [1462; MNW-P]; vnnl. in kristalijn ‘gevormd van kristal’ [1654; WNT]; nnl. kristallijn ‘gevormd als kristal’ [1847; Kramers], ‘uit kristallen opgebouwd’ in ... kristallijn te worden, hetgeen bij goed staal niet het geval is [1873; WNT verbranden]. Ontleend aan Frans cristalline ‘(als) van kristal’ [13e eeuw; TLF], ontleend aan Latijn crystallinus ‘als van kristal’, afleiding van crystallus. In het Middelnederlands viel de geschreven vorm van het leenwoord samen met het stoffelijk bn. cristallijn ‘van kristal’ als afleiding van cristal met het achtervoegsel als in → gulden 2. Door de klankontwikkeling van dit achtervoegsel mnl. -ijn > nnl. -en ontstond een duidelijk betekenisonderscheid tussen kristallen ‘van kristal’ en kristallijn ‘als van kristal, met de structuur van kristal’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kristal [glanzend glas, kwarts] {cristal 1201-1250, naast kerstael, carstael} de laatste vormen met metathesis van r < oudfrans cristal < latijn crystallus [kristal] < grieks krustallos [ijs, kristal], van kruos [ijs, vorst, kou], verwant met latijn crusta [korst].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kristal znw. o., mnl. kerstael, carstael met metathesis < fra. cristal (sedert 12de eeuw) < lat. crystallus < gr. krústallos. Door hernieuwde invloed van het fra. woord ontstonden weer mnl. cristael, cristal, nnl. kristal. — Voor de verlenging in mnl. cristael vgl. ook metaal, kasteel, houweel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kristal znw. o. Mnl. kerstael, carstael, -al o. is de klankwettige ndl. ontwikkeling van ’t ontleende fr. cristal, lat. crystallus (> gr. krústallos). Voor -ael vgl. een dgl. rekking bij metaal, kasteel, houweel e.dgl. Mnl. cristael, -al o., nnl. kristal ontstond door den vóórtdurenden invloed van ’t vreemde woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kristal o., uit Fr. cristal, van Lat. crystallum = kristal, van Gr. krústallos = ijs, bergkristal, afgel. van krustaínein = vervriezen, krúos = vorst + Lat. crusta = korst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kristal s.nw.
1. (chemie; mineralogie) Helder, deurskynende, harde gesteente van reëlmatige vorm en met plat vlakke wat in die natuur aangetref word. 2. Helder, deursigtige glas wat redelik maklik gesmelt kan word en waarvan optiese instrumente, kunsvoorwerpe en geslypte glaswerk vervaardig word, of artikel van sodanige glas gemaak. 3. Iets wat baie helder, blink of deursigtig is. 4. Kristaldruiwe.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. kristal (Mnl. cristal, kerstael). In bet. 4 'n verkorting van kristaldruiwe.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kristal (Frans cristal)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Kristal (Lat. crystállum of crystállus = Gr. κρύσταλλος (krýstallos) = ijs, bergkristal). Vast lichaam met een of andere regelmatige structuur. De naam gaat terug tot een vroegere mening dat bergkristal een vorm van ijs was.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Kristal (< Gr. κρύσταλλος = ijs; < κρύος = vorst, koude).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kristal ‘glanzend glas, kwarts’ -> Indonesisch kristal ‘glanzend glas, kwarts’; Soendanees karistal ‘glanzend glas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kristal glanzend glas, kwarts 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut