Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kring - (cirkel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kring zn. ‘cirkel’
Mnl. crinc (in slechts twee attestaties) ‘cirkelvormige lijn of voorwerp’ in de toenaam van roeger vandencringhe wrsch. ‘van de ronde weg’ of ‘van het ronde stuk land’ [1298; VMNW] en eyn ront umbloip off krynck off parck off tzingel ‘een ronde omgang of ring of omheining of singel’ [1477; Teuth.]; vnnl. kring ‘groep bijelkaar horende mensen’ in uit den kring der boozen [1687; WNT]; nnl. kring ‘ronde of halfronde lijn’ in kringen onder de oogen [1784; WNT], ‘cirkelvormige rij’ in een spelletje in de kring [1907; WNT].
Mnd. krink; mhd. krinc; on. kringr; < pgm. *kringa- ‘kring, cirkel’. Een ablautvorm krang komt in het Oost-Nederlands en ook Zaans voor in de betekenis ‘binnenstebuiten, verkeerd-om’); vergelijk ook on. kranga ‘rondkruipen’; nzw. krångla ‘moeilijk doen’. Waarschijnlijk horen bij dezelfde wortel woorden met een -k i.p.v. een -g, zoals krank.
Het woord is mogelijk verwant met Baltische vormen als Litouws grę~žti ‘draaien, wenden’ (gręž- < prebalt. *grengh), Lets griezt ‘draaien, keren’. De opvatting dat het mogelijk om hetzelfde woord gaat als → ring, maar dan met onverschoven k- uit een substraat, is speculatief, maar zou een verklaring zijn voor de beperkte spreiding.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kring* [cirkel] {krynck 1477} middelnederduits krink, middelhoogduits krinc en ablautend kranc, oudnoors kringr, van een stam die een variant was van die van (vgl. krinkelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kring znw. m., mnl. crinc (N.-Holl.), mnd. krink, mhd. krinc, on. kringr. Vgl. nog mhd. kringe en verkl. w. mnd. mhd. kringel ‘naam van gebak’, on. kringla ‘kring’ en abl. mhd. kranc ‘kring’. Germ. grondwoord *kringa. — Hiervan geen idg. verwanten, wel echter van de parallelle idg. wt. *grenĝ (IEW 385), waarvoor zie: krinkel.

H. Kuhn, Westfäl. Forsch. 12, 1959, 39 denkt aan de mogelijkheid, dat het hetzelfde woord is als ring < germ. *hringa, maar bij de overname uit een idg. substraattaal zou de idg. k onverschoven gebleven zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kring znw., mnl. (noordndl.) crinc (gh) m. (Mnl. Handwdb.), waarvan cringhelen ww. “omsingelen”. = mhd. krinc (naast kringe, nhd. kringen) m. “kring”, Teuth. krynck, mnd. krink m. “id.” (kringel(e) m. v. “id., soort gebak”), on. kringr m. “kring”. Met ablaut mhd. (md.) kranc (g) m. “id.”. Naast germ. kriŋӡ-, kraŋӡ- staat een basis kriŋk-, kraŋk-, kruŋk-, waarvan ndl. krinkel (reeds mnl., blijkens crinkelen “in een kring zetten, krullen”), eng. crinkle “kronkel”, (vooral oudnieuweng.) crank “handvat, kruk, kromming”, wsch. ook ags. cranc-stæf, crencestre (zie bij krank), met u: mnl. cronkelen, crunkelen “kronkelen, krullen” (nndl. kronkelen ww., kronkel znw.), mnd. krunke v. “ vouw, rimpel”, krunkelen “krullen, plooien”. Of de ӡ- of de k-basis de oudere is, is moeilijk uit te maken; het is niet goed na te gaan, welke andere woordfamilies invloed gehad hebben op deze: o.a. is die van wringen, misschien ook die van kink en die van krimpen, er mee in associatie getreden. Zie nog krans, krengen. Zoowel met kriŋk- als kriŋӡ- kan lit. grężiù, “ik draai, keer” verwant zijn (ier. do-grês “bestendig” wsch. niet hierbij). Vgl. ook met anlautende χ < idg. q: 1. ring, 2. on. hrukka v. “rimpel”, hrøkkva “krullen, rimpelen, wijken” (: russ. koržáwěť “stijf worden”??). Ook met een q in den wortelauslaut ksl. sŭ-krŭčiti sę “ineenkrimpen”, lit. kreku, krekėti “stollen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kring. Mhd. krinc(g) = nhd. kring, mhd. kringe = nhd. kringe m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kring m., Mnl. kring + Mhd. krinc (Nhd. kring), On. kringr: van Germ. wrt. kriŋg met bijvorm wrt. kriŋk, synon. van wrt. krimp (z. krimpen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

krink (zn.) kring; Vreugmiddelnederlands crinc <1298>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kring I: ovaal- of sirkelvormige lyn; Ndl. kring (Mnl. crinc), Hd. kring – hoofs. NNdl., nog nie by Kil nie en hou misk. verb. m. krans, maar geen verw. buite Germ. nie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

betere (kringen etc.) (Duits die besseren Kreise)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

kringetje In de betekenis ‘glaasje jenever of cognac puur’ in 1906 voor het eerst gevonden, in een studie over het Nederlands in het Verre Oosten. Van Dale vermeldt deze borrelnaam sinds 1950. Het is voorzien van het etiket ‘Ind.’, dat indertijd wilde zeggen ‘gangbaar in Oost-Indië of hier te lande uit Indië ingevoerd’. Men borrelde in sommige sociëteiten in Indië rond een zogeheten ‘kletstafel’, dat wil zeggen: een grote, ronde tafel, met aan één zijde een opening en in het midden een groot gat. In dat gat stond een Indische bediende die ervoor zorgde dat de glaasjes voortdurend gevuld bleven, een algemeen Oudindisch gebruik. De gasten zaten om die tafel in een ‘kringetje’. Waarschijnlijk moet hier de herkomst van deze borrelnaam worden gezocht.

[Faber 356; Lezer 111; Prick van Wely 104]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krank, van den Germ. wt. kring, krink = zich krommen, dus gekromd als een doodelijk gewonde, waaruit de oorspr. bet. van zwak is te verklaren, en de latere van ziek. Vgl.: „Mijn gheluck es so cranc.”Kronkel is een verkleinw. van kronk (Vlaamsch) = kring; en van kronkel komt het w.w. kronkelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kring ‘cirkel’ -> Fries kring ‘cirkel’; Duits dialect Krenge ‘boog, bocht, akker waar de ploeg gedraaid mag worden’; Frans croix gringolée ‘kruis dat eindigt in een hoofd van een slang’; Indonesisch kring ‘groep personen die een samenhangende sociale groep vormen, cel’; Negerhollands rink ‘cirkel’; Papiaments kren ‘cirkel, bijvoorbeeld zoals gevormd bij kinderspel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kring* cirkel 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut