Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krikkemik - (prul, iets gebrekkigs)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krikkemik* [driepotige lage bok, moeilijkheden] {1655 in de betekenis ‘gebrekkige’; de betekenis ‘bok’ 1671; de betekenis ‘moeilijkheden’ 1836-1838} vermoedelijk gevormd van middelnederlands cricke, crucke [kruk, haak, stok met dwarsstok, stelt, stof] (vgl. kruk) + mik2 [gaffelvormige steunbalk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krikkemik znw. v. ‘driepotige lage bok’ (dan ook: lastig vaarwater; klippen in een vaarwater), vgl. dial. (Antw.) ‘prul’ (ook krakkemik). Moeilijk te verklaren; onzeker of men van krikken als bijvorm van kraken mag uitgaan en dan mik als een rijmwoord beschouwen zal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krikkemik znw., nog niet bij Kil. Als de bet. “een soort driepootige bok” het oudst is, wsch. een samenst. van den stam van krikken (bij Kil., nog Antw.), een jongeren ablautvorm naast kraken, en mik II. Het eerste lid is echter niet zoozeer om zijn bet. als wel om ’t rijm met mik verbonden. Dial. (Antw.) krakkemik naast krikkemik “prul”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krikkemik v., vergel. Fr. cric, Eng. creak, dat een onomat. is, bij krik 1, en z. voorts mik 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

krakkemikken, zn.: gekonkel, slinkse streken. Var. van krikkemik ‘moeilijkheden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krikkemik* prul, iets gebrekkigs 1655 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1298. Een kruk,

d.w.z. een onbedrevene, een sukkel; eig. iemand die op krukken gaat? vgl. Antw. Idiot. 187: krukke, spotnaam voor iemand die op krukken gaat; syn. van het 17de-eeuwsche krikkemik, oorspr. driepootige bok om zware voorwerpen op te heffen en fig. iem. die lichamelijk of geestelijk gebrekkig is; thans nog in Zuid-Nederland in den zin van iets dat weinig waarde heeft, een prul, een vod (zie Ndl. Wdb. VIII. 264). Ook komt in dien zin voor hak, waarmede kruk dikwijls verbonden wordt (vgl. nog Fri. en Gron. hakkenkruk, brekebeen, beunhaas), dat oorspr. beteekende boomtak (no. 771) en daarna sukkel, kruk (Ndl. Wdb. V, 1536). Het woord wordt in de 17de eeuw in dezen zin aangetroffen; zie Gew. Weeuw. I, 23: Een weetniet, een kruk; Spaan, opdragt; Rusting, 455; Loosd. Weesk. 40; Haagsche Reize, 40; C. Wildsch. IV, 252; Halma, 295: Kruk, brodder, homme qui n'entend pas son métier; Ndl. Wdb. VIII, 474.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal