Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krijgen - (verwerven, pakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krijgen ww. ‘verwerven, pakken’
Mnl. crighen ‘zich begeven; zich inspannen, streven; twisten, strijden; met inspanning verkrijgen, verwerven’: Warwerts hi henen was gekregen ‘waar hij naar toe was getrokken’ [1265-70; CG II], man krige sine vrinscap dar mede ‘men zal er zijn vriendschap mee winnen’ [1270-90; VMNW]; nnl. krijgen ‘verwerven’.
Er wordt aangenomen dat het woord is ontstaan uit een ouder erkrigen ‘door strijd verwerven’, omdat in het beperkte gebied waar het in de betekenis ‘krijgen, ontvangen’ voorkomt, vaker een voorvoegsel verdwijnt. Het is dan een afleiding van mnl. crijg ‘inspanning, strijd, twist’.
Mnd. krigen ‘ruzie maken, oorlog voeren; krijgen, ontvangen’; mhd. kriegen ‘zich inspannen, streven’; ofri. krigia ‘krijgen, ontvangen’ (nfri. krije ‘krijgen’, kriigje ‘oorlog voeren’). Bij het zn. horen: ohd. kreg, krieg ‘hardnekkigheid’; ofri. halskrīga ‘stijfheid van de hals’; de Nederlandse betekenis ‘strijd’ is wrsch. secundair; zie ook → kregel.
Vergelijkbaar zijn: Lets grīnums ‘hardheid, strengheid’, grins ‘wreed, toornig’; Oudiers brig ‘kracht, macht’; bij de wortel pie. *gwer-, *gwrei- (IEW 476-477); maar verwantschap is uiterst onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krijgen* [verwerven] {crigen [zich inspannen, door inspanning verwerven, krijgen] 1265-1270} van krijg, vgl. voor de betekenis werven - verwerven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krijgen 1 ww. ‘oorlog voeren’, mnl. crîghen (sterk ww.) ‘zich inspannen, streven, zich begeven naar, twisten, strijden, oorlog voeren’, Kiliaen krieghen ‘zich inspannen, streven, strijden, twisten, oorlogen’, mnd. krīgen (gew. zwak) ‘strijden, proces voeren, oorlog voeren’, mhd. krīgen (en mhd. nhd. kriegen) ‘zich inspannen, streven, strijden, twisten, oorlog voeren’. — Terwijl het zwakke ww. een afl. van krijg zal zijn, moet het sterke daarnaast staan; de bet. ‘oorlog voeren’ is ook hier later ontstaan uit die van ‘zich inspannen’.

krijgen 2 ww., mnl. crīghen, mnd. mhd. krīgen, ofri. krīga, krīgia, krīja ‘verkrijgen, verwerven’. Deze bet. gaat van noord- en middenduitse dial. uit, waarin vaak een praefix onderdrukt wordt (zoals werven voor erwerven; dēlen voor erdēlen ‘een vonnis uitspreken’). Zo zou mnd. krīgen uit erkrīgen ‘door oorlog verwerven’ ontstaan kunnen zijn (Kluge-Mitzka 405). In het nl. zal het oude krīgen wel perfectief gebruikt zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krijgen I (oorlog voeren), mnl. crîghen (sterk) “zich inspannen, streven, zich begeven naar, twisten, strijden, oorlogen”. = mhd. (md.) krîgen (waarnaast mhd., nhd. kriegen; ook Kil. krieghen) “zich inspannen, streven, strijden, twisten, oorlog voeren”, mnd. krîgen (gew. zw.) “strijden, procedeeren, oorlog voeren”. Verwant met krijg. Identisch met krijgen II.

krijgen II (verkrijgen), mnl. crîghen. = mhd. (md.), mnd. krîgen “krijgen, verwerven” (nhd. kriegen), ofri. krîga, krîgia, krîja “id.”. Identisch met krijgen I, maar met oorspr. perfectieve bet.: semantisch te vergelijken met hd. erstreben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krijgen o.w., Mnl. crighen + Mhd. krighen (Nhd. id.): in ’t Hgd. zw., in ’t Ndl. (Ndd. en ook Mdd.) st. De grondbet. is: zich inspannen tegen iets, streven naar iets, van daar strijden en bekomen (z. krijg). Het zw. Ndl. werkw. krijgen = oorlog voeren, is een denom. van krijg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kriege (ww.) krijgen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) kriege, Vreugmiddelnederlands crighen <1265-1270>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kry: “vind”; Ndl. krijgen, in beperkter toep. v. “vind wat weg was en gesoek word” (vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 10 i.v.m. gebr. by Wik en Trig); Mnl. crighen, wsk. na vb. v. Pd. en Hd. dial. sonder voorv. (vgl. Ndl. verkrijgen en Afr. verkry); hou wsk. verb. m. Ndl. krijgen (Mnl. crighen, by Kil krieghen) in bet. “oorlog/stryd voer”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

krijgen. In de betekenis ‘getroffen worden door’ wordt krijgen zeer vaak gebruikt in verwensingen. Dat is begrijpelijk, omdat men met een verwensing nu eenmaal onheil afsmeekt over zichzelf of over anderen. Krijgen komt o.a. voor in de volgende verwensingen: krijg de aids; ~ alles; ~ het apelazarus; ~ de appelflauwte; ~ het apezuur; ~ de betontyfus; ~ de bibber; ~ de blafkanker; ~ de blaren; ~ de bloedkanker; ~ een bombardement achter je hart; ~ de bombardementskanker; ~ de cetem; ~ de dalles; ~ de diarree; ~ een doodskist met spiegel; ~ de duivel; ~ een dikke fietsbel; ~ de fuck; ~ de galg; ~ het gebrek; ~ de godgloeiende godverdomme; ~ de hang; ~ een vet hart; ~ de Overmaasse hazewindhondenkorenmolenpestpokkenkoorts; ~ het; ~ het heen en weer; ~ de herrie; ~ de hik; ~ de Himalaya; ~ de holstrontverklontering; ~ de hubecelubes; ~ eeuwige jeuk; ~ de jicht; ~ een jong langs allebei je neusgaten; ~ de kanker; ~ een kind met koperen kop; ~ krijg de kippenkoorts; ~ krijg de klem; ~ het kleplazarus; ~ de kloten; ~ de kolere, klere; ~ het koliek; ~ de kouwe koorts; ~ de kramp; ~ de krenk; ~ de kreukels aan je kruis; ~ de kriebels; ~ de kriebelziekte; ~ een kromme; ~ de kutkanker; ~ het lazarus; ~ de lazarusklap; ~ het lebbes; ~ het lebberus; ~ een loopoor; ~ een dikke lul; ~ het markoen; ~ de mazelen; ~ de maupie; ~ een mierennest achter je hart; ~ het mond- en klauwzeer; ~ jij maar niks; ~ nou wat; ~ de pest; ~ de pestpokken; ~ de pip; ~ de pleuris; ~ de pokken; ~ de pup; ~ platvoeten; ~ de/het rambam; ~ de rattenkanker; ~ de reetscheetvereelting; ~ het rimram; ~ een rolberoerte; ~ een rolling; ~ een schaduw achter je hart; ~ de schijt; ~ de schijterij; ~ de schurft; ~ het slingerschijt; ~ ’t snot; ~ het spit; ~ een stijve; ~ de stuipen; ~ een dikke tamp; ~ de tennef, tinnef; ~ de tering; ~ tieten; ~ de tyfys; ~ de vellen; ~ het verdriet; ~ de vergietziekte; ~ de vinkentering; ~ de waterpokken; ~ de wip; ~ de wijtik; ~ de zenuwen; ~ de ziekte; ~ het zuur; ~ een zweer. Zo er iets in de verwensingen een hoofdrol speelt, dan zijn het wel de vreselijkste ziektes. Van al deze afgrijselijke kwaadaardige ziektes geldt dat vele ons niet of niet meer bekend zijn. Zij zijn in het gebruik als verwensing afgesleten en doen eigenlijk nog uitsluitend dienst als uitroep van verontwaardiging, haat, minachting, onmacht, weerzin of machteloze woede. Vaak zijn zij zelfs gereduceerd tot interjectie.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krijgen. De afl. is duister, maar de oorspr. bet. staat vast: zich inspannen, streven naar iets, om in ’t bezit er van te geraken. Later is dat „inspannen”, dat actieve op den achtergrond gedrongen en is het meer passief geworden, dus: iets ontvangen; bijv.: geld krijgen, ook: de koorts krijgen. Ook krijg als oorlog staat er mee in verband: het ziet op het inspannen, het weerstreven, het zich verzetten; hieruit ontstond de bet. van strijd, en wel oorspr. tusschen personen, later ook tusschen twee volken. – Een afl. van krijg is krijgel of kregel: geneigd tot strijd, twist. Vgl. Vondel: „Dat gij te krijgel zijt en al te trots van zinnen.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krijgen ‘verwerven’ -> Petjoh krijhen, krijgen ‘krijgen, mogen hebben, willen hebben’; Negerhollands krieg, kri ‘verwerven, nemen, pakken’; Berbice-Nederlands kriki ‘verwerven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krijgen* verwerven 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

864. Hebben is hebben,

gewoonlijk met een achtervoegsel, als (maar) krijgen is de kunst, in welken vorm de zegswijze sedert de 17de eeuw voorkomt, blijkens Winschooten, 249: hebben is hebben, aanraaken is kunst; Smetius, 190: hebben is hebben, verkrijgen is konst; Tuinman I, 126 en Halma, 209: Hebben is hebben, maar krijgen is de kunst, laag spreekw. quand on a du bien on ne s'informe pas d'où il vient, le tout est d'en savoir acquérir; Sewel, 321. Dat het laatste gedeelte ook werd weggelaten, bewijst Coster, 334 vs. 908; Lichte Wigger, 16 r: Hebben is hebben, speulen sy (bankroetiers), t' is heur eveliens hoe ser comen an. Vgl. Campen, 11: Ick beholde dat ick hebbe, het cryghen is misselick; het fri.: habben is habben en krijen is kinst; Schuerm. Bijv. 115 b; Rutten, 88 b; Teirl. II, 20; Claes, 105; Joos, 145; Jongeneel, 90; Ten Doornk. Koolm. II, 52 a; Ndl. Wdb. VI, 184; Harreb. I, 457 b; Eckart, 178: häw'n is wiss, krei'en is mis; häuwen is gewis, krigen is mis (Jahrb. XXXVIII, 160); 179: hebben is hebben mar krîegen is en Kunst (Wander II, 234); eng. have is have (bij Shakespeare; Prick, 44).

2332. (Geen) vat hebben (of krijgen) op,

d.w.z. (niet) te pakken kunnen krijgen; (geen) invloed hebben op. Vat beteekent hier plaats of gelegenheid om iemand of iets aan te vatten, in welken zin het voorkomt in Rein. II, 6807: Doe wart hem (den vos) al dat lijf so glat, men conder nerghent aen hebben vat, want hi was vet ende wel ghevoet; zie verder Witsen, 387; Vondel, Virg. II, 258: De vlam vont vatten aen den wachttoren; Tuinman I, 43: Die de gelegendheid van vooren niet aangrijpt, heeft daar aan van achteren geen vat; Spect. III, 119: Haar al te manlyke verdienste heeft geen vat op onze tederheid; IX, 179: Een bekrompe gemoed, op 't welk edele gevoelens geen vat kunnen hebben; Sewel, 835: Vat op iets krygen, to get hold of a thing; men heeft 'er geen vat aan, one cannot lay hold on't, or lay claim to it; Halma, 663: Gij hebt geen vat aan mij, gij kont van mij niets eischen; Dievenp. 103: Omdat ze met veel omslag en overleg werkten, kon je slecht vat op ze krijgen; Mgdh. 29: Ze hebbe geen vat op ons, wij zijn ze te slim af; Gron. 95: De leeraar krijgt dan ook geen vat op hem; Nkr. IX, 30 Jan. ij. 4; Molema, 419: nijt te vat kennen komen, geen vat kunnen krijgen, geene gelegenheid vinden om met iets te beginnen; fri. fet op immen ha; afrik. op iemand vat kry. Hiernaast ook iemand vat geven, gelegenheid geven om te pakken te krijgen, te kunnen beginnen; eng. to give a handle to. P.C. Hooft bezigt de uitdr. vat missen aan, geen deel hebben aan (Ged. I, 222, vs. 108: Hier is t hem grooter spijt vat te missen aan den strijdt); syn. hoek hebben aan iets (in Brieven I, 335), vat hebben aan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut