Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kriek - (bochel; bochelaar)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kriek: (Bargoens) bochelaar(ster); mismaakte. Kriek is ook een informele benaming voor een bochel, vooral in de uitdrukking zich een kriek lachen (zich een bochel lachen).

Jij roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. (Justus van Maurik, Krates, een levensbeeld, 1885)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kriek. De oorspronkelijke eedformule by myn krieck ‘bij mijn achterlijf’ komt alleen in de 17de eeuw voor en fungeert dan als uitroep.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut