Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kriebelen - (zacht krabbelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kriebelen ww. ‘zacht krabbelen’
Nnl. kriebelen [1803; Weiland]; in kriebelde en krabbelde [1847; WNT].
Wrsch. gaat het om een affectieve variant van kribbelen ‘krabbelen’ [1599; Kil.], frequentatief van kribben ‘krabbelen’ [1599; Kil.], dat wrsch. een nevenvorm is van → krabben.
Vergelijkbare vormen zijn mnl. crevelen ‘kriebelen, jeuken’ (in de afleiding creuelinge ‘jeuk’ [1351; MNW]), nfri. kriuwelje ‘kriebelen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kriebelen* [krabbelen] {1847} waarschijnlijk verwant met kribben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kriebelen ww., eerst later-nnl. als affectieve variant van kribbelen, maar nhd. kriebeln reeds in de 16de eeuw. Kiliaen heeft krievel ‘kribbeling’. Verder fri. kribelje ‘jeuken, kittelen’. — Zie verder: krabbelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kriebelen ww., eerst later-nnl. = kribbelen; vgl. kietelen = kittelen. Hd. komt een vorm kriebeln al in de 16. eeuw voor; ook fri. kribelje “krevelen, jeuken, kittelen”, Kil. krievel = krevel “kriebeling”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kriebelen ono.w., gevormd naar kriebeln, den Hgd. vorm van krevelen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

krievelen (L, W), kriewelen (B), ww.: kietelen, jeuken. Var. van kriebelen en krevelen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2kriewel ww.
1. Deur 'n ligte, herhaalde beweging op of teen die vel 'n gevoel van kielie of jeuk veroorsaak. 2. Rusteloos rondbeweeg as gevolg van een of ander stoornis.
In bet. 1 uit Ndl. kriebelen (1847) of krevelen (Mnl. crevelen). In bet. 2 uit Ndl. krevelen (Mnl. crevelen). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

krievelen (O), ww.: kriebelen, jeuken. Var. van krevelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kriebelen ‘krabbelen’ -> Deens krible ‘(over insecten) snel kruipen, krabbelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krible ‘een jeukend gevoel geven; kruipen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans gribouiller ‘kladden; onleesbaar schrijven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kriebelen* krabbelen 1847 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal