Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krib - (etensbak voor dieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krib(be) zn. ‘etensbak voor dieren’
Onl. kribba ‘voederbak voor dieren’ in uan thero magathe wambon in the cribbon ‘uit de schoot van de maagd (Maria) in de kribbe’ [ca. 1100; Will.]; mnl. cribbe ‘voederbak’ [1240; Bern.]; nnl. krib(be).
Os. kribbia; ohd. krippa (nhd. Krippe); nfri. krêbe; oe. cribb (ne. crib ‘wieg’); < pgm. *kribjō-; daarnaast staat de nevenvorm pgm. *krippōn, waaruit ohd. kripfa ‘kribbe’, en zie ook mhd. krebe ‘mand, korf’. Men reconstrueert bovendien een Frankische vorm *kripja op grond van het Franse leenwoord crèche, zie → crèche. Een ablautvariant is mnd. krubbe, dat in het nzw. als krubba geleend is, en in het nde. als krybbe.
Er is geen enkele reden om met Kuhn (1959: 39) aan te nemen dat het om een substraatwoord zou gaan vanwege het naast elkaar bestaan van kr- en hr- bijv. in on. hrip ‘mand, korf’, zoals ook → kring naast → ring (< pgm. *hringa-) lijkt te staan. Niet alleen de ablaut kribbia/krubbe pleit daartegen, er is ook een goed alternatief: als wordt aangenomen dat het om een woord voor ‘vlechtwerk’ gaat, dat bij de wortel pie. *gerbh-/*grebh-, een uitbreiding van *ger- ‘draaien’ (IEW 387) behoort, dan lijkt de Nederlandse vorm klankwettig te zijn.
Lit.: H. Kuhn (1959), ‘Vor- und frühgermanische Ortsnamen in Norddeutschland und den Niederlanden’, in: Westfälische Forschungen. Mitteilungen des Provinzialinstituts für westfälische Landes- und Volkskunde 12, 5-44

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krib*, kribbe [voederbak] {crebbe, cribbe 1285} oudsaksisch kribbia, oudhoogduits krippa, oudfries kribbe, oudengels cribb; vgl. middelhoogduits krebe [korf], oudnoors kjarf [bundel]. De oorspr. betekenis zal zijn ‘vlechtwerk’. De uitdrukking zijn kont tegen de krib zetten/gooien is ontleend aan de situatie van een paard dat zijn achterste plaatst waar zijn hoofd moet zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krab 2 znw. v. ‘dijkversterking van palen, eig. van vlechtwerk’. — Zie: krib.

krib, kribbe znw. v., mnl. cribbe, crebbe, os. kribbia, ohd. krippa, ofri. kribbe < grondvorm *kriƀjōn. — Daarnaast stond ook *krippōn blijkens ohd. chripfa, mhd. kripfe. Met u-vocalisme mnd. krubbe (> ouderde. krubbe, zw. krubba), nnd. krübbe, alem. chrüpfe, oe. crybb. — Verder te verbinden met mhd. krebe ‘korf’, mnd. kerve ‘fuik’, on. kiarf, kerf, kerfi ‘bundel, schoof’, nzw. dial. karv ‘korf’.

Gewoonlijk verbonden met oi. grapsa- ‘bundel, bosje’ van idg. wt. *gerbh, grebh, afl. van *ger ‘draaien, winden’ (IEW 387); dan zou de oorspr. bet. vlechtwerk zijn. — Maar er staat daarnaast on. hrip ‘korf’, dat te verbinden is met lat. corbis. Misschien mag men met H. Kuhn, Westf. Forsch. 12, 1959, 39 aannemen, dat de vorm met k ontleend is aan een idg. substraattaal, na de verschuiving van de k. — Uit het Germ. zouden stammen ital. greppia, prov. crupia, crepcha, fra. crèche.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krib, kribbe znw., mnl. cribbe, crebbe v. = ohd. krippa, krippea (nhd. krippe; hiernaast opvallend ohd. alem. krippha, nieuwalem. kripfe), os. kribbia, ofri. kribbe v. “kribbe”. Verwant met mhd. krëbe m. “korf, mand”; de oorspr. bet. was “het gevlochtene”: voor de bet. vgl. gr. phátnē “krib”, verwant met binden. Verder kunnen met krib verwant zijn: mnd. kerve v. “vischnet”, on. kjarf o., kjarfi m. “bundel”. De idg. wortel was dan gerebh- of gerep-; hiervan kan ook oi. grapsa-, glapsa- “bundel” komen. Eventueel kan de genoemde wortel een verlenging zijn van ger- “vlechten”, waarvan men wel oi. jā̀la- “net, panser, bundel bloemknoppen”, garala- “bundel grasjes” e.a. oi. woorden heeft afgeleid. Van een verlenging ger-s- gaat men wel uit voor gr. gérron “gevlochten voorwerp”, on. kjarr o., kjǫrr m. “struikgewas”. Naast gerebh- wordt g(e)r-î-bh- aangenomen voor gr. gríphos “een soort vischnet”, terwijl oudnhd. krupf, mnd. krubbe v., ags. crybb (eng. crib), de. krybbe, zw., noorw. krubba “krib” (de skandin. woorden wellicht uit ’t Ndd.) eventueel van gr-u-bh- kunnen komen: echter is grebh-, ablautend met grebh-, waarschijnlijker. Uit ’t Germ. it. greppia, prov. crepia, crepcha, crupia, fr. crèche (> eng. cratch) “krib”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krib, kribbe. Oi. jā́la- lees: jâla-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krib 2, krebbe v. (voederbak), Mnl. cribbe, crebbe, Os. kribbia + Ohd. krippa (Mhd. en Nhd. krippe), Ags. crib (Eng. id.), Ofri. kribbe: staat tot korf als berd tot bord + Gr. grîphos = vischnet, gérron = vlechtwerk. Uit het Germ. komt Fr. crèche en van hier Eng. cratch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

krip s.nw.
1. Voer- of waterbak vir vee. 2. Wal van stene, klippe, e.d. wat vanaf die oewer van 'n rivier skuins uitgebou word om o.a. die breedte van die stroom te beperk of erosie van die oewer te verminder. 3. (geselstaal) Trogvormige urinaal in 'n openbare toilet.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. krib of kribbe (Mnl. cribbe). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel deurdat die urinaal vanweë sy vorm aan 'n voer- of waterbak vir vee herinner.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krib ‘voederbak’ -> Deens krybbe ‘voederbak’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krybbe ‘voederbak’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds krubba ‘voederbak’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans crèche ‘voederbak; kinderbewaarplaats’ Frankisch; Negerhollands krēp ‘wieg’; Papiaments † krib ‘voederbak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krib* voederbak 1120 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

48. Het (of zijn) achterste tegen de krib zetten,

d.w.z. zich stijfhoofdig tegen iets verzetten, zich dwars tegen iets aankanten. Eigenlijk gezegd van koppige paarden, die niet uit den stal willen. Zie Tuinman I, 227: Hy zet zyn' aars tegen de krib: Dit zegt men van een styfkoppigen dwarspaal, die noch ter roer, noch ter hand wil, maar zich dwars tegen iets aankant. 't Is genomen van een paard, dat zijn achterste zet, daar 't hoofd moet staan. Van zulk een zegt men ook: Hy is dwars in den wagen. Zie ook nog 't Daghet XII, 160; Harrebomée I, 207 en 450: Hij zet zijn gat of zijn kont tegen de krib (vgl. N. Taalgids XI, 305).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut