Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kreunen - (een zacht klagend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kreunen ww. ‘een zacht klagend geluid maken’
Mnl. cronen ‘klagen, steunen, jammeren’ in si cronden uil sere. dat die corf al so [swar wer]e ‘zij jammerden luid dat de mand zo zwaar was’ [1201-25; VMNW], deen geselle ginc bidden ende cronen ‘de ene gezel begon te bidden en te jammeren’ [ca. 1350; MNW]; nnl. kreunen.
Wrsch. een affectief klankwoord; zie ook → krijsen.
Vergelijkbaar zijn: ohd. kronen ‘babbelen, opscheppen’, mhd. kroenen ‘babbelen, brommen, schelden’; nno. kraune ‘janken, klagen’, nde. kronne ‘hinneken, kuchen’; uit een wortel pgm. *kraun-. Me. cronen ‘kreunen’ (ne. croon ‘zacht zingen’) is ontleend aan het Middelnederlands). Verder nog mnd. bekröninge ‘aanklacht’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kreunen* [steunen] {cronen 1265-1270} oudhoogduits kronen [babbelen], oostfries krönen [jammeren]; klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kreunen ww., mnl. crōnen ‘kreunen, klagen, morren, kijven’, mnd. bekröninge ‘aanklacht’ gaan terug op germ. *krunjan. Daarnaast ablautend ohd. chrōnen ‘babbelen, pochen’, mhd. krœnen ‘babbelen, brommen, schelden’.

Een typisch klankwoord, waarnaast variaties zowel in klinker als in slotconsonant. Naast kreunen staan krollen, kriemen en mnd. krūschen = krīschen; vgl. ook krijten. — Uit de nnl. vorm kronen kan ne. dial. croon (sedert ± 1460) ontleend zijn (vgl. Bense 66).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kreunen ww. Mnl. cronen (nooit cruenen e.dgl. vormen; eenmaal becreunen, Brabantsche veesten) “kreunen, klagen, morren, kijven” heeft blijkbaar altijd of gewoonlijk ô; evenzoo ohd. chrôn “babbelachtig”, chrônen “babbelen, pochen” met ô uit au. Ndl. kreunen heeft òf dial. ö̂ als umlaut van ô ( = mhd. krænen) òf ’t is een ablautende vorm met oorspr. u. Heeft mnd. kronen “brommen, morren, schelden” ō of ô? In ablaut hiermee wellicht mnl. criemen “kermen, klagen” (nog wvla. en zaansch), ook “doen kermen, pijnigen”. Als dit woord verwant is, is de n van kreunen formantisch. Een combinatie met lett. grauft, “donderen, leven maken”, lit. graudëns “onweerslag” en gr. brūkháomai “ik brul” is niet geheel onmogelijk (basis grū̆); verdere combinaties zijn nog vager.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kreunen. Blijkens mnd. bekrȫninge ‘aanklacht’ (zie bekreunen Suppl.) heeft het Mnd. ȫ. Ook voor het ndl. woord is ospr. u het waarschijnlijkst. Ofri. kronia ‘morren’, eng. to croon (laat-meng. cronen) wsch. uit het Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kreunen ono.w., Mnl. cronen + Ohd. kronen (Mhd. krænen), Oostfri. krönen = jammeren, klagen: oorspr. onzeker, wellicht verwant met kriemelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kreun ww.
1. 'n Sagte, klaende geluid maak in reaksie op onaangename gevoelens of gewaarwordings. 2. (skertsend of enigsins neerhalend) In die styl van 'n neuriesanger sing.
In bet. 1 uit Ndl. kreunen (Mnl. cronen). Bet. 2 is wsk. 'n leenbetekenis van Eng. croon (1931). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kreunen . In de historische eedformule bij Gods kreunen ‘bij het kermen van God aan het Kruis’ worden God en zijn kreunen tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die formule maakt haar tot lijdensvloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. Komt in de 17de eeuw voor als bij gans kroonen. Thans verouderd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kreunen ‘steunen’ -> Engels dialect croon; croyne, crune ‘dreunen, bulderen, loeien; neuriën, zacht zingen’; Schots croon, crune, crone ‘brullen, bulderen; klagen, op een klagende toon zingen; neurieën, mompelen, hummen’; Deens croone ‘sentimenteel neuriën of gedempt zingen’ ; Sranantongo kreun ‘steunen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kreunen* steunen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut