Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kreuken - (vouwen maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kreuken ww. ‘vouwen maken’
Mnl. croken ‘knakken, breken’ in dar mochte men in dien gestride. menegen schacht hebben sijn croken ‘daar had men in het strijdgewoel menige speer kunnen zien breken’ [1220-40; VMNW], ‘plooien, breken, scheuren’ [1450-1500; MNW].
Mnd. kroken ‘rimpelen’; < pgm. *krukōn- ‘kreuken, rimpelen’. Mogelijk van dezelfde wortel als → kruk, pgm. *kreuk-/*krauk-/*kruk-, die we aantreffen in het sterke Duitse ww. kriechen ‘kruipen’; on. krjúka ‘id.’.
Mogelijk te vergelijken met Oudiers gruc ‘rimpel’ en dan bij de wortel pie. *ger- ‘draaien’ (IEW 389).
kreukel zn. ‘verkeerde vouw, plooi’. Mnl. croockel ‘kreukel, rimpel’ [1477; Teuth.]. Afleiding met het Proto-Germaanse verkleiningsachtervoegsel *-ila- van mnl. croke ‘kreuk, rimpel, scheur’ [1240; Bern.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kreuken* [vouwen maken] {croken [vouwen, kreuken, breken] 1220-1240} heeft als oorspr. betekenis ‘buigen’, vgl. oudhoogduits kriochan (hoogduits kriechen) [kruipen], engels to crouch [neerbuigen], verwant met kruk, kruipen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kreuken ww., dial. ook krōken, mnl. crōken ‘plooien, breken, scheuren’, mnd. krōken ‘rimpelen’, vgl. ohd. kriochan ‘kruipen’, nnoorw. krjuka ‘zich samentrekken, kruipen’, kruka ‘hurken’. — oiers gruc ‘rimpel’ van idg. wt. *greug, een afl. van *ger ‘draaien, winden’ (IEW 389). — Zie ook: kruk en kruik.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kreuken ww., dial. (Bommelerwaard) crōken (vla. met ô), mnl. crōken (ȫ?) “plooien, breken, scheuren, deuken”. = mnd. krōken “rimpelen”. Uit het Ngerm. vgl. noorw. dial. kruk “met een krommen rug, bovenste deel van den rug”, krjuka (sterk) “zich samentrekken, kruipen”. Hierbij verder nog ohd. chriohhan (nhd. kriechen) “kruipen”, eng. to crouch “neerbuigen, kruipen” en mnl. crooc m. “haarlokken, kuif”. Germ. kru-k-(kreu-k-, krau-k-), idg. gru-g- is een verlenging van de bij krauwen besproken idg. basis gru- “buigen, krommen”. Vgl. met dgl. bet. als kreuk ’t verwante nier. grug “rimpel” (*grug-no-; mier. grucanach “rimpelig”). Vgl. kruipen. Voor synomieme germ. bases krek- en krik- vgl. kreek.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kreuken o.w., Mnl. creuken + Ndd. kröken: van kreuk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kreuken ‘vouwen maken’ -> Sranantongo kroiki ‘vouwen maken; gekreukt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kreuken* vouwen maken 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut