Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krent - (soort kleine gedroogde druif; zitvlak; gierig persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krent zn. ‘soort kleine gedroogde druif; zitvlak; gierig persoon’
Vnnl. granaetappelen ende karenten ... vighen ende karinten ‘granaatappels en krenten, vijgen en krenten’ [1514; MNW corente], de corenten comen gemeynlich in booten [1550; Stall. II, 103], gestooft met corinthen [1568; WNT], krenten [1616; WNT]; nnl. krent ook ‘achterwerk, zitvlak’ in me krent ‘mijn achterwerk’ [1718; WNT], krent ‘kleingeestig of gierig mens’ [1901; WNT].
Verkorting van Frans raisin de Corinthe ‘rozijn, druif uit Korinthe’. Voor raisin zie → rozijn; Corinthe komt via Latijn Corinthus uit Grieks Kórinthos, stad in Griekenland. Krenten zijn zo genoemd, omdat ze van oudsher voornamelijk uit de streek rondom Korinthe werden ingevoerd.
De overdrachtelijke betekenis ‘achterste’ stamt uit zeemanskringen; het gaat daarbij om vormgelijkenis van een krent met de anus. De betekenis ‘gierigaard’ is opgekomen als schertsende spotnaam voor een kruidenier; de benaming krent of Jan Krent werd vervolgens in de Zaanstreek ook algemener gebruikt voor iemand die op de kleintjes let, wellicht via krententeller, krentenkakker.
krenterig bn. ‘overdreven zuinig, gierig’. Nnl. eerst nog krentig in niet krentig ... zij durven wel een nieuw schip geeven [1784; WNT], daarna krenterig in krenterige kleingeestigheden ‘benepen pietluttigheden’ [1866; WNT], krenterige bazen ‘gierige bazen’ [voor 1889; WNT]. Afleiding van krent in de (overigens pas in 1901 geattesteerde) betekenis ‘gierigaard’, met het achtervoegsel -erig, variant van → -ig. Misschien beïnvloed door het betekenisverwante woord hebberig [19e eeuw], waarvoor zie → hebben.
Lit.: Sanders 1996, 124-126

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krent [gedroogde druif] {carenten, corinthen 1514} van frans raisin de Corinthe [idem, lett.: druif van Corinthe]; Corinthe leverde veel krenten.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

krent

De krent is een bepaalde rozijn zonder pit, de gedroogde rode of blauwe bes van een variant van de druif. In het Middelnederlands kwamen de namen corent en carent voor en vooral de eerste toont ons waaruit wij het woord moeten verklaren: de krent is namelijk de raisin de Corintbe. Corinthe was de stad in Griekenland van waaruit de gedroogde vrucht werd ingevoerd. Het komt meer voor dat een woord op deze wijze wordt ingekort. Als men zegt: het is weer om een demi aan te trekken, bedoelt men de jas die voluit heet: vêtement de demi-saison.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krent znw. v., laat-mnl. corent (e), carent(e), carint(e), Kiliaen: carenten, corinthen mv. < fra. raisin de Corinthe, daar de krenten vroeger vooral uit Corinthe ingevoerd werden. De verkorting der 1ste lettergr. is gewoon, vgl. kraal 1 en krant. — Uit de oudere vorm korint > russ. korínka (sedert begin deri 8de eeuw, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. A. W. Amsterdam 66, 2, 1959, 51).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krent znw. Kil. carenten, corinthen mv., laat-mnl. corent(e), carent(e), curint(e). Uit fr. raisin de Corinthe: de krenten zijn oorspr. uit Corinthe geïmporteerd. Voor den wegval van a, o vgl. bij kraal I; nog vla. korente, Antw. korent. Voor de ndl. vormverkorting vgl. o.a. demi(-saison) < fr. vêtement de demi-saison, milieu < milieu de table.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

korent v., uit Fr. corinthe, naar de stad Corinthe, van waar de vrucht komt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

krent (de, -en), (ook:) toefje kleine, zwarte krulletjes. Daarom zal ze de moeder van haar lichtgekleurde man veilig op een afstand houden, zodat haar kinderen niet weten dat ze een pikzwarte oma hebben met krenten op haar hoofd (Vianen 1971: 113). - Etym.: Er is gelijkenis met de gedroogde vrucht die k. heet. Ook S korinti heeft beide bet. - Samenst.: krentenhoofd (Cairo 1977: 117).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

krent: gierig, overdreven zuinig persoon. Er bestaat ook een bijvoeglijk naamwoord: krenterig. Vgl. jankrent* en krentenkakker*.

Eigenlijk een geluk dat Eppo geen krent is geworden, dat heeft hij aan Boswinkel te danken. (Jan Mens, De kleine waarheid (1967)
Je bent een dief, ouwe krent. (Arnon Grunberg, Figuranten, 1997)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krent (van Frans raisin de Corinthe)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

krent (15de eeuw, uit het Frans) gedroogde druif

Weinig vruchten hebben zoveel invloed op de Griekse geschiedenis gehad als de krent. In al zijn verschrompelde nietigheid zorgde de krent nog geen honderd jaar geleden voor faillissementen, tolheffingen, internationale beraadslagingen, opstanden, ja zelfs voor het aftreden van een minister-president.
De krent is genoemd naar de Griekse stad Korinthe. In de ons omringende talen is die vernoeming duidelijker zichtbaar. De Duitsers spreken van Korinthe, de Fransen van raisin de Corinthe. Wij leenden de Franse benaming maar verkortten die al in de middeleeuwen tot corente en vervolgens tot krent.
In de oudheid was Korinthe zeer rijk. In de loop der tijd had het echter zwaar te lijden van aardbevingen, invallen en verwoestingen. In 1858 richtte een aardbeving zo veel schade aan dat de stad zeven kilometer van de oude plaats opnieuw werd opgebouwd.
De Korinthiërs voerden toen nog altijd krenten uit, zij het op kleine schaal. In 1877 kwam hierin plotseling verandering. In dat jaar raakten de Franse wijngaarden ernstig aangetast door druifluis ofwel Phylloxera (vgl. malaga). De Franse wijnboeren kochten massaal Griekse krenten om er mengwijnen mee te maken. De uitvoer van Griekse krenten naar Frankrijk steeg van 881 ton in 1877 tot 20.999 ton in 1880 — een stijging van maar liefst 2300 procent. En dat bleek nog slechts het begin. In 1889 voerden de Grieken 70.000 ton krenten uit naar Frankrijk en 50.000 ton naar Engeland.
Heel Griekenland begon als bezeten druiven te verbouwen. Alle andere vormen van nijverheid werden verwaarloosd, en olijfbomen, sinaasappelbomen en citroenbomen werden omgehakt om plaats te maken voor de Vitis vinifera apyrena, zoals de krentenproducerende wijnstok officieel heet. Om de produktie zo snel mogelijk te kunnen opvoeren, stak men zich tegen hoge rente in de schulden; de grote winsten werden geïnvesteerd in nieuwe aanplantingen, terwijl de leningen niet werden afbetaald.
In 1891 was de schade aan de Franse wijngaarden echter zo goed als hersteld. En zoals dat gaat bij Franse boeren, klonk er vervolgens een luid protest tegen de valse concurrentie uit Griekenland. De Franse regering zag zich gedwongen de invoerrechten op Griekse krenten te verhogen: in 1891 van zes naar vijftien, in 1894 van vijftien naar vijfentwintig franc per honderd kilo. Dit laatste bleek genoeg om de export vrijwel stil te leggen. De Grieken boorden nieuwe markten aan, maar dit mocht niet baten.
De Griekse regering richtte een speciale bank op — onmiddellijk de ‘Krenten-Bank’ gedoopt — die de overschotten tegen een vast tarief opkocht. Binnen de kortste keren zat de bank echter met een enorme krentenberg. Ondertussen bleef de produktie toenemen, waardoor de prijs van de krent nog verder daalde. In 1903 stelde een groep buitenlandse investeerders voor de uitvoer van krenten te reguleren. Toen premier Theotokis dit weigerde, braken er zulke ernstige onlusten uit dat hij het veld moest ruimen. Onder zijn opvolger ging de Krenten-Bank over de kop, de kwekers raakten wanhopig — kortom, het was tijd voor een staatsmonopolie. Dat kwam er en is tot op heden gebleven.
Voor Korinthe was dit alles extra ongunstig. Als krentenproducent moest de stad het al snel afleggen tegen de eilanden Zákinthos en Kefallinía. Omstreeks 1920 voerde Korinthe nauwelijks meer krenten uit.

Engels currant (±1390); Duits Korinthe (1495); Frans raisin de Corinthe.

Winkler Prins1 9 (1877) 554; Verdam Middelned. wdb. 3 (1894) 1914 (corente); Ency. Brit.11 7 (1910) 648 (currant), & 12 (1910) 434-435 (Greece); WNT VIII1 (1916) 162-164; Oosthoek ency. 7 (1921) 498; OED (19932); Pfeifer Etym. Wtb. d. Deutschen (19932) 718.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krent, korint ‘gedroogde druif’ -> Deens krænte ‘het drogen van druiven’; Russisch korínka ‘gedroogde druif’; Oekraïens korinka ‘gedroogde druif’ ; Indonesisch krénten ‘gedroogde pitloze druiven’; Javaans kismis ‘gedroogde druif’; Menadonees krènten ‘rozijnen’; Papiaments karènt ‘gedroogde druif in brood’; Sranantongo korenti ‘gedroogde druif’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krent gedroogde druif 1514 [MNW]

krent achterwerk 1717 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1276. Krentig (of krenterig) zijn,

d.w.z. gierig, niet royaal zijn; een Jan krent (Zaansch), een krentenkakker (Weiland; V. Schothorst, 159; Kalv. II, 194; Breuls, 88), fri. krintekakker zijn; ook in den zin van kleingeestig, bekrompen zijn (Gunnink, 156; Gallée, 23); oostfri. krintekakker, kleinlicher, ängstlicher; engherziger Mensch (Ten Doornk. Koolm. II, 366). In de 18de eeuw voorkomend in W. Leevend II, 76: Zy zyn stylen van de Beurs, en niet krentig of sikkeneurig; zy durven wel een nieuw schip geven. In de Zaanstreek is bekend een krent d.i. een Jan hen, een gortenteller (Boekenoogen, 513), en Molema, 227 citeert krinterg (= fri. krinterich) = krinselg, karig, vrekkig. Waarschijnlijk is de eerste beteekenis kleingeestig en vandaar gierig zijn; een pietlut, een keukenhen zijn. Krent moet dan worden opgevat in de fig. bet. van iets kleins, iets onbeduidends. Zie Ndl. Wdb. VIII, 164.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut