Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krenken - (beschadigen, beledigen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krenken* [beschadigen, beledigen] {crenken, crinken [zwak maken, beschadigen] 1201-1250} middelnederduits, middelhoogduits krenken, oudfries krenza; afgeleid van krank.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krenken ww., mnl. crenken, crinken ‘verzwakken, benadelen, schade toevoegen’, intrans. ‘verzwakken, verminderen’, mnd. krenken ‘zwak, ziek maken of worden’, mhd. krenken ‘zwak, ziek maken, vernederen, schade toebrengen, verdriet doen’, ofri. krenza ‘verzwakken, verminderen’ < germ. * krankjan, afl. van krank.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krenken ww., mnl. crenken (crinken) “verzwakken, benadeelen, schade toebrengen aan”, ook intrans. “verzwakken, verminderen”. = mhd. krenken “zwak, ziek maken, vernederen, schade toebrengen, verdriet doen” (nhd. kränken), mnd. krenken “zwak, ziek maken of worden” (> laat-on. krenkja “zwak, ziek maken”). Factitivum van krank.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krenken. Adde: ofri. -krenza (in samenstt.) ‘verzwakken, verminderen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krenken o.w., Mnl. crenken + Hgd. kränken: met e = ä denom. van krank; dus = krank maken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

krenk: aanstoot gee, gevoelens kwets, grief; Ndl. krenken (Mnl. crenken/crinken, “benadeel, skade berokken”), Mned. krenken, “siek/swak maak, verneder”, hou verb. m. krank, “siek”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krenken, denom. van krank, dus krank of zwak maken (zie Krank), daarna: doen verminderen, kwaad doen, schaden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krenken ‘beschadigen, beledigen’ -> Deens krænke ‘beledigen, overtreden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors krenke ‘vernederen, beledigen, schenden; (verouderd) verkrachten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kränka ‘beschadigen, beledigen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krenken* beschadigen, beledigen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal