Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krek - (bijwoord van hoedanigheid: precies)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Van mamá tot plee
Franse leenwoorden in het Nederlands

“Meent gij, dat de Nederlander een Fransch poespas noodig heeft, om zich in zijne volkstaal beschaafd te kunnen uitdrukken?”, vroeg de van oorsprong Duitse predikant J.G.C. Kalckhoff in het anoniem verschenen pamflet Proeve tegen de verbastering der Nederlandsche taal, door beschaafde Nederlanders uit 1829. De aanleiding voor deze vraag was dat vrienden van hem zich door hun kinderen ‘papa’ en ‘mama’ lieten noemen; dat was Frans, en dat wekte zijn afschuw.
Weinig Nederlanders zullen beseffen dat de zo alledaagse en vertrouwde woorden papa en mama Franse leenwoorden zijn. De opmerkingen van Kalckhoff komen overigens redelijk laat, want papa en mama zijn op het moment dat hij zich erover opwindt al bijna twee eeuwen in het Nederlands in gebruik. Sinds halverwege de zeventiende eeuw komen ze voor, uitgesproken met eindaccent, zoals in het Frans: ‘papá’ en ‘mamá’. Aanvankelijk waren het de hogere kringen die Franse leenwoorden gebruikten. Papa, mama en enkele andere familietermen waren vermoedelijk in de spreektaal geïntroduceerd door de uit Frankrijk gehaalde gouvernantes, gouverneurs en kindermeisjes: Frans was van de veertiende tot de negentiende eeuw de hoftaal en de taal van de hoogste kringen. Die hogere standen waren tweetalig, en wanneer zij Nederlands spraken, doorspekten ze dit met Franse woorden. Dat Kalckhoff pas in 1829 bezwaren aantekende, zal komen doordat de napoleontische oorlogen nog vers in het geheugen lagen, maar ook doordat op dat moment papa en mama doorgedrongen waren tot alle lagen van de bevolking. Omdat de lagere kringen geen Frans kenden, spraken zij de woorden op z’n Nederlands uit, met de klemtoon op de eerste lettergreep: ‘pápa’ en ‘máma’.

Belle-soeur
In de zeventiende eeuw veranderden alle familienamen onder invloed van het Frans. Zo gingen Nederlanders de Franse leenwoorden tante en kozijn (in het Frans cousin) gebruiken in plaats van de oudere Nederlandse aanspreekvormen moei en neef. Dat kozijn is trouwens niet tot het Standaardnederlands doorgedrongen; het wordt nu alleen nog maar in het Zuid-Nederlands gebruikt.
Daarnaast stamt uit deze periode een groot aantal leenvertalingen van Franse familiebenamingen: grootvader en grootmoeder (in het Frans grand-père, grand-mère) verdrongen de Middelnederlandse aanduidingen oudervader en oudermoeder (‘vader of moeder van de ouder’). De vertalingen kleindochter en kleinzoon, gemaakt naar het Franse voorbeeld petite-fille en petit-fils, kwamen in de plaats van oudere Nederlandse omschrijvingen als dochterszoon, zoonszoon, dochtersdochter, dochterszoon en kindskind.
Aangetrouwde familieleden kregen benamingen met schoon-, als vertaling van het Franse beau- of belle-: schoonbroer, schoonzus (in het Frans beau-frère, belle-soeur), schoondochter, schoonzoon (belle-fille, beau-fils), en schoonmoeder, schoonvader (belle-mère, beau-père). De betekenisovergang ontstond in Franse hofkringen: aanvankelijk gebruikte men beau (‘schoon, mooi’) om iemand mee aan te spreken, bijvoorbeeld in beau sire, bel ami ‘(‘schone heer’, ‘schone vriend’). Vervolgens werd dit overgedragen op aangetrouwde familieleden. Nederlandse hofkringen namen dit gebruik over. Schoondochter kwam in de plaats van het oudere snaar, maar zwager hield stand naast schoonbroer.

Krek
De tweetalige hogere kringen doorspekten hun Nederlands dus met Franse woorden. Nederlanders die niet vertrouwd waren met het Frans, namen ze als prestigieuze leenwoorden over uit het taalgebruik van de hogere kringen, want dat stond chic. In de burgerkringen was het met de kennis van het Frans echter niet al te best gesteld, zo blijkt wel uit het bekende puntdicht van Constantijn Huygens uit 1647, getiteld ‘Frans syn Frans’, over de geheel eigen versie van het Frans die een zekere Frans erop na hield:
Frans spreeckt syn Frans gelijck syn Duijtsch [Nederlands – HB en NvdS], Die eer hoor ick hem geven:
Maer ick ben van die gevers niet, Frans moet het mij vergeven.
Ick moet bekennen, Frans spreeckt Frans: Maer noch en is ’t geen fyn Frans.
Ghy moet’er by bekennen, Frans spreeckt, niet syn Fransch, maer syn Frans.

Mensen die zelf niet zo goed Frans kenden, vernederlandsten de leenwoorden, waardoor deze soms onherkenbaar veranderden. In de volkstaal en dialecten vinden we allerlei ontleningen in verbasterde vorm. Zo doorspekten auteurs die boeren of het ‘gewone’ volk aan het woord lieten, hun taalgebruik vroeger met krek (van het Franse correct): “Ik zit te kyken krek als een bepiste Paap”, schreef iemand in 1730, en in 1833 schreef Jacob van Lennep: “’Ik woon te Rijming,’ antwoordde de boer: ‘even oet het dorp en krek aan de rivier.’” Een ander woord waarmee de taal van bepaalde groepen werd getypeerd, was astrant (‘brutaal’), van het Franse assurant (‘zelfverzekerd’): in 1871 is bijvoorbeeld sprake van een “werkmeid, die zooals al hare kennisjes zeiden, zeer ondeugend en ‘astrant’ was”.

Merakels
Verbasterde Franse leenwoorden die in de spreektaal of dialecten nog wel gebruikt worden, zijn bijvoorbeeld ajuus (van het Franse adieu) en merakels, van miracles (‘wonderen’) – als uitroep in de betekenis ‘wat een wonder!’ Tantefeer betekent ‘bemoeial, druktemaker’; het komt van het Franse tant à faire (‘zoveel te doen’). Ambetant (‘vervelend’), komplementen, manjefiek, reneweren/rinneweren en saggerijn zijn verbasteringen van de Frans woorden embêtant, compliments, magnifique, ruïner en chagrin. De dialecten kennen Franse leenwoorden die in het Standaardnederlands niet voorkomen, zoals het Noord-Brabantse gedukkelek (‘gebrekkig’, van het Franse caduc), en het Overijsselse koeterdekoet voor coûte que coûte. En er zijn honderden voorbeelden meer.
Sommige van de verbasteringen zijn doorgedrongen tot de beschaafde standaardtaal: fatsoen (van het Franse façon, ‘manier van doen’), kanjer (van cagnard, ‘lui, onverschillig’), krant (van courant), kreng (van carogne, ‘rottend kadaver’), rantsoen (van ration), peinzen (van penser) en po (van pot; de Fransen spreken de slot-t niet uit). De afwijkende spelling van deze woorden vormt een aanwijzing dat de ontlening door mondeling contact heeft plaatsgevonden.
Andere Franse leenwoorden – de meeste – zijn daarentegen nog steeds goed herkenbaar als Frans, ook al zijn ze eeuwen geleden overgenomen: zo kwamen accorderen, appelleren, amoureus, arresteren, arriveren, baron en gracieus al in het dertiende-eeuwse Nederlands voor. Het gaat om woorden die in de dagelijkse spreektaal nauwelijks voorkwamen en die waarschijnlijk vooral zijn doorgegeven via literaire of ambtelijke geschreven bronnen.

Derrière
Franse woorden waren en zijn nog steeds populair als verzachtende uitdrukking, oftewel eufemisme, omdat de Franse woorden minder grof en plat klonken. En nog steeds gebruiken we voor ‘nare’ zaken wel Franse leenwoorden, bijvoorbeeld transpireren in plaats van zweten, attaque in plaats van beroerte of urineren in plaats van pissen. Vroeger sprak men van derrière in plaats van achterste.
Voor ‘wc’ bestond het nietsverhullende woord kakhuis, en ook wel (geheim) gemak, eigenlijk: ‘plaats waar men zich rustig kan terugtrekken’. Al in de vijftiende eeuw gebruikte men daarnaast het keurige leenwoord secreet, een verkorting van het Franse chambre secrète, letterlijk ‘geheime kamer’. In de negentiende eeuw deden de Franse leenwoorden toilet, plee, urinoir, pissoir, retirade en latrine hun intrede. Tegenwoordig is plee niet langer een eufemisme, maar zo is het wel begonnen; in de negentiende eeuw gold het als deftig woord. Het gaat terug op plaît-il? (‘wat belieft u, wat is er van uw dienst?’) Toen het watercloset (wc) met stromend water uit Engeland werd ingevoerd, bleef men plee gebruiken, maar dan alleen voor een toilet zonder stromend water. Inmiddels bestaan die in Nederland niet meer, en wordt plee gebruikt voor ‘wc’ in het algemeen, maar het woord geldt in veel kringen als ‘plat’ – misschien speelt nog steeds mee dat wc’s zonder stromend water vroeger tweederangs wc’s waren.
Ook woorden als bordeel, prostitutie, prostituee, maitresse, maintenee en bon-vivant komen uit het Frans. Naar aanleiding van deze woorden schreef hoogleraar Frans J.J. Salverda de Grave in 1906 in een omvangrijk werk over Franse leenwoorden in het Nederlands: “Er zullen er misschien onder mijn lezers zijn die uitroepen: ‘Daar ziet men weer hoe onzedelik die Fransen zijn, en hoe zedelik wij, daar wij voor al die lelike dingen geen eigen woorden hebben.’ Men zou kunnen antwoorden dat wij die termen dan toch wel nodig schijnen te hebben gehad.”
Wij zouden willen zeggen: touché!
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Van mamá tot plee: Franse leenwoorden in het Nederlands’, in: Onze Taal 6, 154-156]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krek [precies] {1708} < frans correct [idem] (vgl. correct).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

krek

In de uitspraak worden toonloze klinkers vaak veronachtzaamd. Ons woord kleur komt van koleur (Frans couleur), kraf van karaf, krant van courant, kraal van koraal en ons in gemeenzame taal gebezigde krek is het Franse correct. Vroeger noemde men een vrouw die op haar zaken paste, een krek wijf. Thans bezigt men het alleen als bijwoord in de betekenis: juist, precies. Bekend zijn de verbindingen: krek eender als voor: precies als en krek of voor: precies alsof. Vooral ter versterking van een tijdsbepaling wordt krek gebruikt: krek een jaar later, krek om zeven uur. Dit uitgebreide bijwoordelijke gebruik is in het Frans niet bekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krek bijw. ‘precies, in orde’, dial. ook krekt, maar zuidnl. krak evenals mnd. kreck ‘juist, precies, onmiddellijk’, fri. krekt ‘nauwkeurig, precies’ < fra. correct < lat. correctus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krek bijw., zelden bnw. = “precies, goed in orde”, vooral dial., ook krekt, zuidndl. krak Wordt terecht uit fr. correct (< lat. correctus) afgeleid. Evenzoo mnd. kreck “juist, precies, onmiddellijk”, fri. krekt (ook bnw.) “nauwkeurig, precies, juist”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krek bijw., uit Fr. correct: vergel. krant. Correct is Lat. correctum (-us), v.d. van corrigere = recht maken, verbeteren (z. ge- en rekken).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krek (van Frans correct)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krek ‘bijwoord van hoedanigheid: precies’ -> Duits dialect kreck ‘netjes, ordentelijk, precies’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krek bijwoord van hoedanigheid: precies 1708 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut