Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kreits - (kring)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kreits [kring] {kreis 1626, kreits 1642} < middelhoogduits kreiz, vgl. krijt2 [kring].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kreits znw. m., sedert begin 17de eeuw < nederrijns kreytz (Teuth.) sedert de 14de eeuw en waarvan de vorm beschouwd kan worden als die van een niet volledig doorgevoerde hd. klankverschuiving (eerder dan als contaminatie van nd. kreit en hd. kreis). Kiliaen heeft kreyt = mnd. kreit, krēt(e) ‘kring, kampplaats’, laat-ohd. kreiz̹, nhd. kreis ‘kring, omtrek, district’. — Naast deze vorm germ. *kraita staan nu verder *krīta- in nnl. krijt, mnl. krijt ‘kring, gebied, kampplaats’, mnd. krīt, nederr. kryt (14de eeuw) en *krita- in mnd. krēte m. ‘kras, kerf’ en ohd. krizzon ‘inkrassen’ (nhd. kritzeln). — Verder behoort deze groep tot die van krat.

IEW 405 spreekt in dit geval van expressief vokalisme en beschouwt dus de groep *krīt, krĭt als secundair naast die van krat. Dit is in elk geval aannemelijker dan uit te gaan van een idg. wortel *greid naast *gred. — Voor de bet. moet men dus uitgaan van de kring, die in de grond geritst werd, wat er op wijzen kan dat de bet. ‘kampplaats’ zeer oud zal zijn. In elk geval is een kring bedoeld, die voor bepaalde doeleinden (sacrale of andere) van het omringende gebied werd afgeperkt. — R. Schützeichel, Die Grundlagen des westlichen Mitteldeutschen 1961, 251 wil het nl. woord in de 17de eeuw uit het md. laten voortkomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kreits znw., sedert begin 17. eeuw. Ontl. uit nederrijnsch kreytz (sedert de 14. eeuw, ook Teuth.), dat wellicht een jongere compromisvorm is van mhd. kreiӡ m. “kring, omtrek, ingesloten kampterrein, district” (nhd. kreis; reeds laat-ohd. kreiӡ m.) en den daaraan beantwoordenden ndd.-ndl. vorm met t: mnd. krêt(e), kreit m. “kring, kampplaats”, Kil. kreyt “id.”. Hiernaast met ablaut 1. mnl. krijt o. m. “kring, gebied, kampplaats” (nnl. krijt o.), nederrijnsch (14. eeuw) kryt, mnd. krît m. “id.”, 2. mnd. Krē te m. “kras, kerf”, ohd. krizzôn “inkrassen” (nhd. kritzeln). Bovendien het st. ww. mhd. (md.) krîӡen “een cirkel trekken”. Of — en in hoeverre dan — germ. krit-, krît- met krat- (zie krassen) eenerzijds en met skrī̆t- (got. disskreitan “verscheuren”, zwits. schrîssen, schreissen “scheuren, rukken”), χrī̆t-, wrī̆t- (zie rijten) anderzijds iets te maken heeft, is onzeker. Desnoods zou het ook oorspr. een klankaanduidende basis = “knarsen, krassen” geweest kunnen zijn; zie krijten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kreits m., uit Nederrijnsch kreitz + Ohd. kreiʒ (Mhd. kreiʒ, Nhd. kreis): z. krijt 2.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut