Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kreek - (smal water)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

kreek zn. ‘smal water’
Oudnederlands Creka (976), Crika (1003), grondbezit in Zeeland.
Vroegmiddelnederlands van der Creke (1276, West-Holland), vander Kreke (Saaftinge), kreke ‘inham van de zee, ondiep water’ in Zuid-Holland en Zeeland (1321 Reimerswaal, 1324 ’s-Gravezande), nederzetting die Creke (Middelburg, 1341). Mogelijk is het bekende Crikenputte (1276–1300) uit de Reinaertroman als ‘kreek-put’ op te vatten; in ieder geval speelt het verhaal zich in een krekenlandschap af.
Nnl. creecke ‘inham, baai’ (1528, Vorstermanbijbel, Hand. 27,39: Ende alst dach was, en kenden si dat lant niet, maer si werden een creecke siende, hebbende eenen oeuer, daer si dochten dat schip in te worpen), creke, creecke ‘ondiepe zee-arm’ (1576, Tractaet van dyckagie), kreke ‘ondiep water; walkant’ (1599; Zeeland), kreeck (1629); steenkreke ‘stenen wal’ (1564). In moderne dialecten: Westvlaams kreek, kreke ‘strook zand en schelpen in het veen’ (ontstaan doordat de zee-arm hier zand heeft afgezet tussen het veen), Zeeuws (Walcheren, Tholen) kriek, krieke met lange /i:/ (WZD).
Verwante vormen: Modern Westerlauwers Fries kreek (1844), krieke (1968) ‘kreek’; kreek (1869), kriek, krieke (1869), kriik (1911), dial. /kri:ke/ ‘deek, veek, aanspoelsel van een waterloop’. In het Engels bestaan twee klinkervarianten: (1) Middengels krike, cryke, crike, uit *krīk-; hieruit met klinkerverkorting ME crick; (2) ME creke, creake, crieque, MoE creek uit *krikō-; Anglo-Latijn creca, crecca; (3), alle ‘kreek, zee-inham’. Oudnoors kriki m. ‘hoek, bocht’, handarkriki ‘oksel’, naast krikr m. ‘bocht, buiging, dij’, Zweeds dial. krik ‘bocht, hoek, kreek’.
Het is niet geheel zeker op welke klinkers de Zeeuwse en Vlaamse vormen teruggaan vanwege de variatie tussen i en ee in alle periodes. De ee-vormen wijzen op *krikō- of *kraikō-, maar sommige i- en ie-vormen zouden ook op *krīk- kunnen teruggaan.
Er is geopperd dat kreek uit het Oudnoors werd ontleend, maar gezien het consequent vrouwelijke geslacht van Mnl. kreke en waarschijnlijk ook Oudnederlands Creka is dat niet waarschijnlijk. We kunnen voor het Westgermaans *krikō- naast *krīkō- reconstrueren, en als nauw verwant daarmee PGm. *krikan- ‘bocht, hoek’ zoals in het Noordgermaans geattesteerd. Gezien de betekenis ‘zee-inham’ in Engeland en Nederland is het benoemingsmotief van kreek niet het bochtige verloop van een kreek geweest (immers, de meeste beken en rivieren zijn bochtig) maar de ‘bocht’ of ‘inham’ in de kustlijn.
Op een hoger niveau kan PGm. *krik- verbonden worden met *kringan ‘draaien’, waarnaast ook *krinkan ‘buigen, kronkelen’ bestond (Kroonen 2013: 305), vgl. Nederlands kring, krinkelen, krank, krenken en kronkel. In het Noordgermaans horen daarbij woorden als ON kraki m. ‘stang met een haak’, MoNoors krake ‘scheefgegroeide boom of persoon’, ON krōkr ‘haak, buiging, bocht’, die *krak- en *krōk- veronderstellen. De variant *krik- in *krikan-, *krikō- ‘bocht, inham’ kan daarnaast binnen het Germaans gevormd zijn met invoering van de klinker van *krinkan. De variant *krīk- is dan later naast *krik- gemaakt.
[Gepubliceerd op 15-03-2018 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kreek* [smal water] {creke [kreek, oever, walrand] 1343-1344} middelengels crike (engels creek), oudnoors kriki [bocht], krōkr [haak, bocht]; mogelijk verwant met latijn gurges [maalstroom, zee, poel], grieks gurgathos [fuik].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kreek znw. v., mnl. crēke (zeeuws, zuid-holl.), Kiliaen krēke (Zeel.), ne. creek ‘kreek’ (< ne. crike, creke, dat men wel als ontl. aan on. beschouwt), on. kriki m. ‘hoek, bocht’ (vooral noorw.) naast krikr m. ‘bocht, buiging, dij’, nzw. dial. ‘hoek; omheind stuk bos’, shetl. krik ‘vernauwing, smalte’, en verder on. kraki m. ‘stang met een haak’, nnoorw. krake ‘scheefgegroeide boom of persoon’ en on. krōkr ‘haak, buiging, bocht’. — idg. wt. *gerg, vgl. mogelijk gr. gurgathós ‘uit twijgen gevlochten korf’ (IEW 385).

De grondbet. van kreek zal dus zijn het nauwe en bochtige van de waterloop door de buitendijkse gronden. Indien ne. creek aan het skand. zou zijn ontleend, zou men met Heeroma Ts. 70, 1952, 265 kunnen vermoeden, dat het woord aan het zeeuws-vlaamse kustgebied weer uit het eng. zou stammen. Zeker is, dat alleen in het noordgerm. deze woordgroep rijk ontwikkeld is; daarentegen wil Bense 62 het sedert 1512 optredende creek uit het nl. afleiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kreek znw. Kil. kreke (“Zeland.”), mnl. (Zeeuwsch, Zuid-Holl.) crēke v. Vgl. eng. creek “kreek”, (ook hierbij fri. kreek, kryk, krike “aanspoelsel tegen een waterkeering”?), on. kriki m. “bocht”. De oorspr. vocaal was blijkbaar i en niet e: dan is dus verwantschap met noorw. dial. kreka “kruipen”, on. kraki m. “stang met een haak, een soort anker”, krôkr m. “bocht, haak” (> eng. crook), ohd. chracho (â?), chracco m. “haakvormig voorwerp” uitgesloten. Oorsprong onbekend. Zie ook kreuk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kreek v., Mnl. creke + Ags. crecca (Eng. creek), On. kriki: niet verder op te sporen. Uit het Germ. komt Fr. crique.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kreek (de, kreken), ook:) 1. beek, smalle rivier. Diep in het binnenland in rivieren en kreken, maar ook in de stad in kanalen en trenzen* komt de waterhyacint voor (Bauxco Nieuws, april 1965: 6). - 2. (veroud.): voorafgegaan door een vz., i.h.b. ’in’, ook (de) kreken, kon net zo behandeld worden als rivier*: z.a. Dat tot meeste gemack van alle inwoonders die in kreecken woonen () alle inwoonders van deselve gehouden sijn gesamentlijck, een yeder volgens sijn krachten, deselve te suyveren (plak. van 1669, oudste vindpl.; S&dS 46). - Etym.: AN k. = beek onder invloed van de getijden. E creek heeft de bet. van SN k. in de USA en de voormalige Engelse kolonies (Onions). S kriki = id. Oudste vindpl. van 1 plak. van 1669(S&dS 45).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kreek 'kleine inham of geul in getijdengebied'
Onl. creka, crika, mnl. creke 'kreek, kleine inham of geul in getijdengebied', ne. creek 'idem' (vermoedelijk ontleend aan het Nederlands), ono. kriki 'hoek, bocht', krikr 'bocht, buiging, dij'. Oorsprong onbekend1. Het kerngebied van de kreek-namen ligt in Zeeland en de aangrenzende delen van Zuid-Holland en Noord-Brabant. In Zeeuws-Vlaanderen duidt kreek vooral restanten van doorbraken met brak water aan2. Oudste attestaties in plaatsnamen: 976 in pago Scaldis possessionem vocabulo Creka, 1003 en 1040 Crika (ligging onbekend, op Schouwen)3. In waternamen: 1214 Everrods Krike (ligging onbekend, bij Reimerswaal, Zl)4.
Lit. 1ODE 1966 (1982) 227, ontbreekt in EWN, 2Schönfeld 1955 217, 3Künzel e.a. 1989 212, 4Schönfeld 1955 217.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kreek (Engels creek)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kreek ‘smal water’ -> Engels creek ‘inham, riviermond; korte rivierarm; kleine haven’; Duits dialect Kreeke ‘natuurlijke waterloop’;? Deens creek ‘smal water’ ; Esperanto kreko ‘kleine baai als natuurlijke haven’ ; Negerhollands kriek ‘smal water’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands kreke ‘smal water’; Sranantongo kriki ‘smal water’; Sarnami kriki ‘smal water’; Surinaams-Javaans kriki ‘beek’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kreek* smal water 0976 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut