Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krauwen - (zacht krabben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krauwen ww. ‘zacht krabben’
Mnl. crawen, crauwen ‘krabben, wrijven’ [1240; Bern.].
Mnd. krauwen; ohd. krouwon ‘verscheuren, krabben’; ofri. upkrawia ‘naar boven ombuigen’; < pgm. *krauwōn- ‘krabben’, afleiding van *krawa- ‘klauw’.
Heel misschien verwant met Grieks grū ‘vuil onder nagels na het krabben’, < pie. *gr-eu- (IEW 388).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krauwen* [(zacht) krabben] {crauwen [krabben, krauwen] 1201-1250} middelnederduits krauwen, oudhoogduits krouwon, oudfries krawa; buiten het germ. albaans grime [broodkruimel] → kruim.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krauwen ww. ‘krabben’, mnl. crauwen, crouwen ‘krauwen, krabben’, mnd. krauwen, ohd. chrouwōn (nhd. krauen) ‘krabben’, ofri. (up)krawa ‘zich (naar boven) ombuigen’, vgl. ook nnoorw. kryl ‘bochel’. — gr. grũ ‘vuil onder nagels na het krabben’ (IEW 388). — Zie ook: kruim.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krauwen ww., mnl. crauwen (crouwen) “krauwen, krabben” = ohd. chrouwón (nhd. krauen), mnd. krauwen “id.”, ofri. (up)krâwa “zich (naar boven) ombuigen”. Van een basis idg. grū̆, waarvan ook wsch. krielen en wellicht kruim en verwanten; buiten ’t Germ. vgl. nog gr. grūpós “gekromd”, grúps “grijpvogel”, grútē “rommel”, grúméa, -eía “id., overblijfsel van visch” (oorspr. “samenkrabsel”?), in ’t Germ. noorw. dial. krŷl m. “bult”. Men heeft wel een palatale ĝ aangenomen en hoogerop oi. jī́ryati “hij wordt bros” (zie koren I) gecombineerd; ook is lit. gráużti “knagen” (onwsch.: veeleer bij obg. gryzą, grysti “id., bijten”, gr. brúkhō “ik knars met de tanden” e.a.) en ook hoogerop de basis ger-b- (vgl. krimpen) vergeleken. Dit alles is echter hoogst onzeker. Vgl. kreuken, kroes II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krauwel, krauwen. Vgl. kroost Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krauwen o.w., Mnl. craeuwen + Ohd. krâwôn (Mhd. krouwen, Nhd. krauen), Ofri. kráwa, verwant met krieuwen, niet met krevelen, noch krabben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kreujen, zich, ww.: zich bemoeien met, zich vergrijpen aan. Heterofoon van Ndl. krauwen, Rijnl. krauen ‘kwellen, pijnigen’. Vgl. das kratzt mich nicht ‘dat raakt mijn koude kleren niet’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krauwen ‘(zacht) krabben’ -> Engels craw-craw ‘draadwormziekte’; Frans gravir ‘klauteren, beklimmen’ Frankisch; Negerhollands krauw, krou ‘krabben, vegen’; Berbice-Nederlands krau ‘(zacht) krabben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krauwen* (zacht) krabben 1180 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal