Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krats - (klein bedrag)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krats* [klein bedrag] {1916-1917} nevenvorm van kras, vgl. middelnederlands cratsen [schrappen, krabben, schuren]; oorspr. klanknabootsende vorming.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

krats

Wanneer men zegt: dat kan je voor een krats krijgen, bedoelt men: voor een zeer geringe som, voor een kleinigheid. Het woord behoort bij het werkwoord krassen, dat in het Middelnederlands cratsen luidde. Het is een klanknabootsend woord dat het geluid weergeeft van een scherp voorwerp dat zich over een hard oppervlak beweegt. Bekend is kris kras voor: heen en weer, in het wilde, zonder overleg. Het eigenaardige van het woord krats is het behoud van de t. Dat is een reden om te denken aan invloed van het Duits, waarin het werkwoord kratzen voorkomt voor: krabben, krassen (op de viool). Die Krätze is: de schurft, de huidziekte waarbij men zich krabben moet; die Kratzbeere is de braambes met haar stekels. In al deze woorden is de t bewaard gebleven.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

krats (voor een --) (Italiaans crazia)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krats* klein bedrag 1916-1917 [MOO]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1274. Een krats.

Hieronder verstaat men een streep (een kras, hd. kratz) door de rekening, een teleurstelling, een niet in de loterij (Köster Henke, 37); vgl. O.K. 163: Ik ben met vier doorgefourneerde tientjes blijven zitten en op allemaal 'n krats gehad; Het Volk, 12 Juli 1913, p. 7 k. 1: Wanneer het zoo blijft (het weinig fooien ontvangen), dan gaan we voortaan met een krats naar huis. Ook verstaat men onder een krats een kleinigheid; vgl. 17de eeuw: niet een krits en zie Geen snars); vgl. Opprel, 67: Voor een krats verkoopen. 't Schouw (scheelde) maar een krats; in Kalv. II, 10: Al kocht hij 't voor een krats, dan kon hij er nog aan verliezen; Nkr. II, 29 April, p. 6: Wij huren voor een krats een hospitaalsoldaat; V, 19 Febr. p. 4: De christenwerkman is met een krats tevreê; zie nog Jord. II, 11, 50, 367; Amstelv. 99: Wat kost nu zoo'n kam? Och, een krats.Tijdschrift voor Taal en Letteren VIII, 331.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut