Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krat - (kist van latwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krat zn. ‘kist van latwerk’
Mnl. cratte ‘vlechtwerk, mal, horde’ [1350; MNW]; vnnl. kratte ‘vlechtwerk, tenen mand’ [1573; Thes.], ook ‘het geheel of gedeeltelijk uit latwerk bestaande voor- of achterschot van boerenwagens’ [1599; Kil.]; nnl. krat ‘kist van latwerk ter verzending van sommige voorwerpen’ [1907; WNT], voor verpakking zoo noodig in krat [1911; WNT verpakking].
Ohd. krezzo ‘mand, korf’ (nhd. Krätze ‘draagmand’) naast kretto, kratto; nfri. kret ‘mestkruiwagen’; oe. cræt ‘wagen’. Hierbij horen misschien ook oe. cradol ‘wieg’ (ne. cradle), on. kartr ‘wagen’. Uit pgm. *kredō, *krattaz. Vermoedelijk oorspr. een aanduiding voor vlechtwerk en korf.
Verwant met: Litouws grandìs ‘armband, ring’, Oudpruisisch grandis ‘ring aan een ploeg’, Lets grùods ‘sterk gedraaid’; Oudiers grinne (< *grend-n-io) ‘bundel twijgen’; bij een wortel pie. *gerd-/*gred-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krat* [kist van open latwerk] {crat(te) [gevlochten mat, horde, wagenkorf] 1350} oudhoogduits chrezzo [mand] (hoogduits Krätze), fries kret [mestkruiwagen], oudengels cræt [wagen], cradol [wieg], oudnoors kartr [vrachtwagen]; de grondbetekenis is ‘vlechten’ → hor1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krat znw. o. ‘loshangend schot van een boerenwagen; kist van open latwerk’, dial. (Drente) ook ‘vlechtwerk om iets af te sluiten’, mnl. cratte ‘gevlochten mat, wagenkorf’, oe. crœt o. ‘wagen’, fri. kret ‘mestkruiwagen, krat van een wagen’, vgl. ook ohd. chrezzo m. ‘mand, korf’ (nhd. krätze v.). Te vergelijken met on. kartr ‘wagen’. — lit. grandìs ‘armband, ring’, opr. grandis ‘ring aan de ploeg’, lett. grùods ‘sterk gedraaid’; oiers grinne (< *grend-n-i̯o) ‘bundel van twijgen’; idg. wt. *gerd, gred, afl. van *ger ‘winden, draaien’ (IEW 386).

Men moet dus uitgaan van vlechtwerk, waarvan de wagenkorf gemaakt werd; later werd voor- en achterkant van de wagenbak van latten gemaakt, eindelijk van planken vervaardigd, dan de wagen zelf (voor gelijksoortige ontwikkeling zie: ben 2). — On. kartr wordt ook anders verklaard, maar niet bevredigend (AEW 303). — De fries-inguaeoonse vorm kret is met kolonisten naar verschillende plaatsen in Noord-Duitsland (Lübeck, Dithmarschen) gekomen en als krat naar de Mark ten O. van de Elbe (vgl. Teuchert Sprachreste 242).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krat znw. o., dial. (Zaansch) kret, mnl. cratte (crat? o.?) “gevlochten mat, wagenkorf”. = ags. cræt o. “wagen”, fri. kret o. “mestkruiwagen, krat van een wagen”; hiernaast ohd. chrezzo m. “mand, korf” (nhd. krätze v.). Hierbij wellicht met ablaut on. kartr m. “lastwagen”. Met ’t oog op den langeren ohd. stam is de hypothese, dat krat ontleend is uit het Kelt., onaannemelijk. Ier. cret “wagenkast” komt omgekeerd uit ’t Ags. Mogelijk is een idg. basis gere-d- “buigen, draaien, vlechten”, naast gere-n-d- (waarvan mhd. krenze v. “mand”. Zie verder krans). Germ. krað- (idg. basis gere-t(h)-, gere-dh-?) hebben wij in ohd. chratto m. “korf” (nhd. kratten), ags. cradol, cradel m. (eng. cradle) “wieg”. Voor de bett. van krat en verwanten vgl. die van ben II en verwanten: “wagen” of “deel van een wagen” < “wagenmand” < “mand” < “vlechtwerk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krat 1 o. (korf), Mnl. cratte + Ohd. krezzo (Mhd. krezze, Nhd. krätze), Ags. crœt (Eng. cart en crate), van Germ. *krat-; daarnevens Ohd. kratto (Mhd. kratte) = korf, Ags. cradol (Eng. cradle) = wieg, van den bijvorm Germ. *krad- De bet. waren: vlechtwerk, traliewerk, dus korf en rek.

krat 2 o. (laddervormig achterschot van een wagen), is hetz. als krat 1 met de tweede bet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

krat: verpakkingshouer van latwerk; Ndl. krat (Mnl. cratte, “gevlochten mat, wagenkorf”), Hd. krätze, “korf”, Eng. crate (sedert 1526), maar blb. eers later in bet. “basket or hamper of wickerwork” en dan (sedert 1688) as “any case or box of open bars or slats” (NED wat verb. soek m. Lat. cratis, “hurdle”); vgl. ook hortjies en karet I.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krat ‘kist van open latwerk’ -> Engels crate ‘raamwerk (verouderd); kist van open latwerk; wrakkig vliegtuig’; Duits dialect Kratt, Krett ‘mand, korf’; Maltees krejt ‘kist van open latwerk, m.n. voor melkflessen’ ; Indonesisch krat ‘kist van open latwerk voor 24 flessen’; Surinaams-Javaans krat ‘kist van open latwerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krat* kist van open latwerk 1911 [WNT verpakking]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut