Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kram - (bevestigingshaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kram zn. ‘bevestigingshaak’
Mnl. cramme ‘bevestigingshaakje, (NN) wondhaakje’ in ses crammen ende een hundert stocnaghelen ‘zes haken en honderd nagels voor een wapenstok’ [1370; MNW stocnagel].
Ablautend zelfstandig naamwoord bij het zeldzame sterke werkwoord vnnl. crimmen ‘met de klauwen grijpen, pakken’, zoals in die crimmende hongerige leeuwen [1529; MNW], maar al eerder als afleiding mnl. crimminge ‘kramp, buikpijn’ (overdrachtelijk voor ‘steken in de buik’) [1351; MNW].
Bij het ww. horen: ohd. krimman ‘verscheuren, bijten’; oe. crimman ‘instoppen’; < pgm. *krimman-. Daarnaast staat ablautend *krammōn-, waaruit oe. crammian ‘volstoppen’; en pgm. *kramjan-, waaruit on. kremja ‘drukken’ (nzw. krama ‘omhelzen’, en on. krumma ‘hand, poot’).
Wrsch. verwant met: Latijn gremium ‘armvol, schoot’; bij de wortel pie. *grem- ‘samenvatten’ (IEW 383).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kram* [bevestigingshaakje, wondhaakje] {cram(me) [kram, haak] 1367-1372} vgl. middelnederlands crimmen [met de klauw grijpen], middelnederduits kremmen, oudhoogduits krimman, oudengels crimman, crammian (engels to cram) [inproppen], oudnoors kremja [drukken], wel van een i.-e. basis met de betekenis ‘grijpen’, vgl. russisch gromada [hoop]; vermoedelijk heeft vermenging plaats gehad met woorden van de stam van krimpen (vgl. kramp1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kram znw. v., mnl. cramme, ook nhd. dial. fri. naast Teuth. crame ‘kram, haak’, vgl. verder mnl. crimmen ‘met de klauwen grijpen’, mnd. kremmen, ohd. chrimman ‘id’, oe. crimman ‘instoppen’, crammian ‘volstoppen’ (ne. cram), on. kremja ‘drukken’ en krumma, krymma v. ‘gekromde hand’. — idg. wt. *grem ‘samenvatten’, vgl. oi. gráma ‘hoop, schaar, dorp’, lat. gremium ‘armvol, schoot’, lit. grumiúos ‘worstelen met’, grumùlas ‘klomp’, russ-asl. gromada, gramada ‘hoop, massa’ (IEW 383).

Voor het huidige taalgevoel is er onmiddellijk verband met krom en kramp, ofschoon deze tot een andere idg. wortel behoren. — Met nl. kolonisten is het in de vroege Middeleeuwen gekomen naar de noordduitse marschstreek en de Brandenburgse Mark (vgl. Teuchert, Sprachreste 262).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kram znw., mnl. cramme v. Een ook in du. diall. en in ’t Fri. voorkomend woord — hierbij ook mhd. kram (mm), kramme m. “kramp” —, verwant met Teuth. crame “kram, haak” en mnl. crimmen “met de klauwen grijpen” (waarbij crimminghe v. “kramp, buikpijn”), ohd. chrimman “id.” (nhd. krimmen), mnd. kremmen “id.”, ags. crimman “instoppen, inproppen”, crammian “volstoppen” (eng. to cram), on. kremja “drukken”, krumma, krymma v. “hand”. Wij moeten òf van de basis grem- “grijpen, vatten” uitgaan, waarvan ook lat. gremium “schoot”, ksl. gramada, gromada “hoop” (voor een verwante basis gerē̆- zie bij kraam), òf van grem- “schaven, krabben”, waarvan lit. grémżdu, grémszti en grámdau, grámdyti “schaven”. De eerste etymologie verklaart de bett. van ’t germ. materiaal vollediger. Ook kunnen beide bases in het Germ. door elkaar zijn geloopen. Vgl. kramp, krimpen, krom.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kram v., +Mhd. kramme, Eng. cramp: z. kramp. Uit het Germ. komt Fr. crampon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kram s.nw.
U-vormige staaf of draad van metaal, gewoonlik met skerp punte aan beide ente, wat êrens ingeslaan word om iets vas te heg of iets aan vas te maak.
Uit Ndl. kram (Mnl. cramme).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Krimpen van den Germ. wt. krimp, Idg. kremb = ineenkrommen, dus ook: kleiner worden door intrekking, bijv.: het laken krimpen. Ook de gierigaard krimpt (bekrimpt) zich in zijn uitgaven, vandaar dat krimp ook gebrek bet.: nergens krimp aan hebben. – ’t Z.n.w. van krimpen is kramp: samentrekking van ’t lichaam. Ook kram (gekromde haak) is er mee verwant, evenals krom.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kram ‘bevestigingshaakje; wondhaakje’ -> Duits dialect Kramme ‘bevestigingshaakje, klem’; Frans craminer ‘huiden met krammen uitrekken op een schraag om ze voor het looien klaar te maken’; Indonesisch keram, kram ‘bevestigingshaakje; wondhaakje’; Javaans keram, kram ‘bevestigingshaakje; wondhaakje; kromme spijker’; Papiaments kramchi, kranchi (ouder: kramtsje) ‘soort U-vormige spijker om bijvoorbeeld ijzerdraad te bevestigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kram* bevestigingshaakje, wondhaakje 1367-1372 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut