Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

krab - (schaaldier (Brachyura))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

krab zn. ‘schaaldier (Brachyura)’
Onl. krabbo in de plaatsnaam Crabbendic ‘Krabbendijke (Zeeland)’ [1187, kopie 1277; Künzel]; mnl. crab(be) ‘schaaldier’, als toenaam van Woutre Crabs (genitief) [1293; VMNW], in scaren van zee crabben ‘scharen van zeekrabben’ [1351; MNW-P].
Men neemt veelal aan dat het woord verband houdt met het werkwoord → krabben en dus eigenlijk ‘het krabbende, krabbelende dier’ betekent. Gezien de gegemineerde -bb- kan het ook om een leenwoord uit een voor-Germaanse substraattaal gaan en verwant zijn met → kreeft.
Mnd. krabbe (waaruit nhd. krabbe); oe. crabba (ne. crab); on. krabbi (nzw. krabba); < pgm. *krabban-.
Te vergelijken zijn Latijn carabus ‘soort kreeft’ en Grieks kā́rabos ‘kreeft’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

krab* [schaaldier] {crabbe [krab, kreeft] 1287} middelnederduits krabbe, oudhoogduits krebiz (hoogduits Krebs), oudengels crabba, oudnoors krabbi; hoort bij krabben, dus eig. ‘de krabber’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

krab

Een vlieg heet vlieg omdat hij vliegt en een krab heet krab omdat hij krabt. Dat is wel duidelijk. De naam van het schaaldier is dus nauw verbonden met de werkwoorden krabben en krabbelen, hetgeen wil zeggen: veelvuldig krabben. Ook het woord kreeft is er familie van.

De Latijnse naam van de kreeft is cancer, de Griekse luidt karkinos. Daarvan zijn de namen kanker en carcinoom afgeleid. Men geeft aan deze ziekte deze naam, omdat de vaatvertakkingen van het gezwel dat zij veroorzaakt, gelijkenis vertonen met een kreeft of krab met gespreide poten.

Verwant is eveneens het Engelse to crawl dat kruipen betekent, maar ook gebruikt wordt voor een bepaalde wijze van zwemmen, die in de verte gelijkt op de beweging van krab of kreeft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

krab 1 znw. v. ‘vissoort’, mnl. crabbe m.v., mnd. krabbe, oe. crabba m., on. krabbi m. Eig. ‘het krabbende of krabbelende dier’ en dus verwant met krabben en kreeft. — > fra. crabe (sedert de 13de en 14de eeuw, zie Valkhoff 99); > russ. krab (R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 53).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

krab I (visch), mnl. crabbe m. v. = mnd. krabbe (nhd. krabbe v.), ags. crabba m. (eng. crab), on. krabbi m. “krab”. Verwant met krabben en kreeft, niet met lat. cârabus > gr. kárabos “zeekreeft”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

krab I. Dat dit schaaldier ten onrechte tot de vissen wordt gerekend, doet aan de juistheid van de etymologie niet af.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

krab v., Mnl. crabbe + Hgd. krabbe, Ags. crabba (Eng. crab), On. krabbi (Zw. krabba, De. krabbe): verwant met kreeft, niet echter met Gr.-Lat. carabus. Uit het Germ. komt Fr. crabe (z. krabben).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

krab (de, -ben), (ook:) kras. Een jongetje, kleine neger, laat z’n hoepel van een houten velg, precies recht op de wagen rollen. () Wagen krijgt een krab van die hoepel. Woedende meneer (Cairo 1980c: 116). - Etym.: Zie krabben*(1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

krab ‘schaaldier’ -> Frans crabe ‘schaaldier; witachtige uitwassen op de zolen van iemand die aan een tropische infectieziekte lijdt’; Bretons krab ‘schaaldier’ ; Tsjechisch krab ‘schaaldier’ (uit Nederlands of Duits); Slowaaks krab ‘schaaldier’ (uit Nederlands of Duits); Pools krab ‘schaaldier’; Russisch krab ‘zeekrab’; Oekraïens krab ‘schaaldier’ ; Wit-Russisch krab ‘zeekrab’ ; Azeri krab ‘schaaldier’ ; Lets krabis ‘schaaldier’ ; Litouws krabas ‘schaaldier’ (uit Nederlands of Frans); Negerhollands krabe, krabischi, krabu, crabbo, krabbo ‘schaaldier’; Berbice-Nederlands krabu ‘schaaldier’; Skepi-Nederlands krabu ‘schaaldier’; Sranantongo krabu ‘schaaldier’; Saramakkaans kaábu ‘schaaldier’ ; Sarnami krabu ‘schaaldier’; Surinaams-Javaans krabu ‘schaaldier’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † krabu ‘schaaldier, kreeft’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

krab* schaaldier 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut