Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kraai - (vogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kraai zn. ‘zangvogel van het geslacht Corvus
Onl. kraia in de plaatsnaam Crainham ‘Kraainem (Brabant)’ [1003; Schoonheim 2003] (voor het tweede lid zie → heim) en als bijnaam van Henrici Craie [ca. 1180; Schoonheim 2003]; mnl. craie ‘kraai’ [1240; Bern.]; vnnl. craij, kraij ‘kraaiachtige vogel (kraai, roek)’ [1636; Jacht-Bedryff].
Nomen agentis bij het klanknabootsende werkwoord → kraaien.
Os. krāja (mnd. krage, krae, kra); ohd. krāia (nhd. Krähe), krāwa, krāha, krā; nfri. krie; oe. crāwa, crāwe, crā (ne. crow).
Lit.: Eigenhuis 2004, 305-306

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kraai1* [vogel] {cra(e)ye, creye 1201-1250} oudsaksisch kraja, oudhoogduits kraja, oudengels crawe (engels crow); hoort bij kraaien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kraai 1 znw. v., mnl. craeye, crāye, os. krāja, krāa, ohd. chrāja, chrāwa, chrā (nhd. krähe), fri. krie, oe. crāwe (ne. crow). — Grondvormen zijn dus germ. * krāja, krāwa, krāha, krā waarnaast nog *krāka in on. krāka v. ‘kraai’ en krākr m. ‘raaf’. Een woord dat het gekras van de kraai nabootst. — Zie ook: kraaien.

Een andere naam voor het dier gaat uit van het vogelgeluid , zie: kouw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kraai znw., mnl. craeye, craye v. = ohd. chrâja, chrâwa, chrâ (nhd. krähe), os. krâja, krâa, ags. crâwe v. (eng. crow) “kraai”. Evenals on. krâka v. “id.”, krâkr m. “raaf” van de germ. basis krê-, waarvan ook het ww. kraaien, mnl. craeyen, crayen, ohd. chrâen (nhd. krähen), mnd. kreien, kreigen, kregen, ags. crâwan (praet. crêow; eng. to crow) “kraaien”. Met on. krâka “kraai” vgl. formantisch ags. crâcettan “krassen (van een raaf)” (eng. to croak). Buiten het Germ. vgl. ksl. grajati, lit. gróju, gróti “krassen”. De anlaut kan idg. g of g zijn en de basis is identisch met één van de bij kermen besproken bases ger-ê- en ger-ê-. — kraai in kind noch kraai, uit mnl. kint no craet, waarin men craet identificeert met craet v. m. “gekraai” (= os. krâd enz.; van kraaien), waaraan men een secundaire bet. “haan” toekent. Dit is onwsch., o.a. wegens den verbogen vorm (met kinden ende met) craten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kraai 1 v. (vogel), Mnl. craie, Os. krâia + Ohd. krâia (Mhd. krǣe, Nhd. krähe), Ags. cráwe (Eng. crow): behoort bij kraaien; is niet altijd de naam van denzelfden vogel geweest. — Kind noch kraai, Mnl. kint no craet, mv. met kinden ende met craten: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

krej (zn.) kraai; Aajdnederlands kraia <1003>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kraai II: ’n voëln. (spp. Corvus, fam. Corvidae); Ndl. kraai (Mnl. cra(e)ye), Hd. krähe, Eng. crow, hou verb. m. kraai I; v. ook raaf.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ZWARTE KRAAICorvus corone
Duits Rabenkrähe
Engels Carrion Crow
Frans Corneille noire
Fries Krie
Betekenis wetenschappelijke naam: Corvus = raaf; corone: de naam voor de destijds bij de Grieken alleen bekende Bonte Kraai. Gewoonlijk noemen we hem Kraai of Kraie (Elb), Kraey, Kraoje (Sco, ZVl), Kreie (Sch), Kreei (Twe), Krèèj (MLb), Kreij (Wee) en zoals boven is vermeld, Krie (Fr). Ze verwoorden het krassende geluid van deze tot de zangvogels behorende soort. Door de toevoeging ‘Zwarte’ vanwege z’n kleur wordt hij onderscheiden van de Bonte Kraai. Synoniemen zijn Swarte Kraai (Tex), Swattekrae (Ter), Swarte Krie (Fr) en Zwatte Kraaie (Ach). Blijkens enige andere volksnamen wordt hij gezien als Roek (Fr), Swarte Roek (Fr), Ald Roek (Fr), Ruuk (Sch) en Zwartrok. De laatste naam heeft een denigrerende betekenis in het gezegde ‘De kraai schold de roek voor een zwartrok’. We kunnen dit door een andere beeldspraak vervangen: ‘De pot verwijt de ketel dat ie zwart is’. Het raaf-achtige is onder meer te herkennen in de naam Rawet (Ter), tevens een vorm van het Friese Raven, en in Raafkrao (Lb), vergelijkbaar met de Duitse naam en in Zwarte Raaf (Vla). De namen Roofkraai, Roofkrao (Lb), Kukekraoj (Maa) en Kukeraof (Maa) tonen de vogel in de broedtijd, wanneer hij berucht is als rover van eieren en jonge vogels. Hij wordt Boskraai (Lb) genoemd naar een van z’n broedgebieden, het bos, waar het nest meestal hoog in de bomen wordt gebouwd. Op het gemeentewapen van Blokker (NH) zijn drie Zwarte Kraaien, zittende in een boom afgebeeld. Vermoedelijk symboliseren zij de drie plaatsen die bij het vormen van de gemeente werden samengevoegd. Oude jagersnamen zijn Swarte Galgh en Scherp-Kray. Het element ‘Scherp’ is afkomstig van ‘Scherpveugels’, een andere naam voor roofvogels, waartoe men vroeger ook kraaien rekende. De Vlaamse naam Kalle ofwel ‘babbelaar’ deelt hij met enkele andere soorten, die met hun keelklanken een hele conversatie kunnen voeren. Een tamme kraai wordt vaak Gerrit genoemd, een uit klanknabootsing gevormde bijnaam. Ook wordt hij vermeld als Tonieka (Rij), net als een (tamme) Kauw. Spaar (Fr) is misschien een klanknabootsing van de roep. In de benaming Pastoorsdoevn (Ens) zien we een vergelijking met de kleding van de pastoor en met de alom tegenwoordige duiven. De naam Weesjongen (NH) doelt eveneens op de donkere kleur van de veren, net als bij de Bonte Kraai. Uit Grownneuger (Rij) ofwel ‘begrafenis-uitnodiger’ spreekt wrange humor, want wie door een kraai was aangekeken kon een sterfgeval verwachten. In het gezegde ‘De kraaienmars blazen’ staan afscheid en rouw centraal. Op sommige begraafplaatsen noemt men de dragers van de kist ‘kraaien’. Een Zwatkieker (Rij), dat kan alleen een kraai zijn. Hannik (Zaa) is ook een scheldnaam, bedoeld als ‘onnozele Hannes’, lummel of hork. In de middeleeuwen schrok men bij het zien van een groepje rondcirkelende kraaien. Het werd beschouwd als een teken dat er ruzie of oorlog ophanden was. Die krassende en zwarte vogels moesten wel een zwarte ziel hebben. Toch bestond er ook de legende dat kraaien (zie eveneens bij de Raaf) aanvankelijk sneeuwwitte vogels zijn geweest: Toen Jezus zijn dorst wilde gaan lessen in een beek zou Hij zijn weggejaagd door kraaien omdat deze bang waren dat enig contact hun sierlijke witte veren zou bevuilen. Vanwege hun trots werden zij echter bestraft, want hun kleur werd aanstonds zwart. Dat dit zo zal blijven wordt beloofd in het Vlaamse gezegde ‘Hoe meer een kraai zich wast, hoe zwarter hij wordt’. Andere bekende uitdrukkingen zijn: ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat’ en ‘hij bezit kind noch kraai’. Bij de laatste ging het oorspronkelijk om het kraaien van de haan. Moest n.l. iemand voor de rechter verschijnen en bezat hij geen familie die zijn onschuld kon bewijzen, dan mocht hij een haan meenemen, een dier dat om zijn waakzaamheid werd gewaardeerd. Indien deze zweeg volgde vrijspraak. Kraaide de haan dan werd ervan uitgegaan dat de man schuldig was.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kraai: 1) aanspreker; doodbidder. Bij rooms-katholieken ook voor een priester.

Hé, kraai! Je kan immers vliegen, ik groet je. (Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, 1901)
Is het van Janus Tulp zeer komisch dat hij, rijk geworden, zelf zijne vakgenooten uitscheldt voor kraai, niet minder komisch is het van Barendje, wanneer Janus hem in de oude zaak zet, dat hij zegt: ‘en dan neem ik een jongen voor de verre klanten’, hij, die zelf als jongen het land aan hen had. (De Groene Amsterdammer, 27/11/1904)
Meneer Lemming heeft iets van een kraai. Ik zie hem alleen als er lijken in de buurt zijn. (Rinus Ferdinandusse, Zij droeg die nacht een paars corset, 1967)

2) (gevangenisjargon) cipier of bewaker.

Mondje dicht, er staat een kraai te luisteren. (Ben Borgart, Blauwe nachten, 1978)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Krie Officiële friese naam voor de Zwarte Kraai ↑ [Boersma 1972]. De uitspraak is [kriǝ] (op de manier alsof er N krieë stond). Bij De Vries 1911 staat: “Krie ef Krei en Swarte Krie.” Oost- fries Krai, Kraie, Kreie en Krei; helgolands Sûart Krei [De Vries 1928].
ETYMOLOGIE De vorm Krei(e) is de oudste, en is klankwettig te verwachten (zie Klankwet nr.23). Meer sub Kraai. Het ww. kraaie (geluid van de Haan, ook het zingen van de Goudplevier) vertoont een andere klinker dan Krie, is daaruit dus niet rechtstreeks afgeleid.

Bonte Kraai Corvus cornix Linnaeus 1758. Bontgekleurde verwant van de Zwarte Kraai (d.w.z. ongeveer voor de helft zwart, voor de andere helft lichtgrijs). De Bonte Kraai is in de Lage Landen voornamelijk wintergast; broeden doet hij bij ons zelden en als het gebeurt, betreft het bijna steeds een gemengd paar van Bonte en Zwarte Kraai.
Een naam gelijkend op die van het lemma komt voor in Houttuyn 1762 (Bonte-Kraay). Een verwijzing uit de tijd van Gesner 1555: “... eine bundte Krähe genennet wird von den Niederländern” [HG 1669 p.II-319].
Spreekwoorden: Eén Bonte Kraai maakt nog geen winter (de tegenhanger van Eén Zwaluw maakt nog geen zomer) en Uilen vliegen met geen Bonte Kraaien (‘Soort zoekt soort’) [Ter Laan].

Kraai Corvus corone Linnaeus 1758. In N en België kennen we twee in het veld goed onderscheidbare soorten, tot voor kort bij ons en elders nog beschouwd als twee ondersoorten van de Kraai, te weten de Zwarte Kraai (Corvus (c.) corone), die hier broedt, en de Bonte Kraai ↑, die hier vooral een wintergast is.
Na de Raaf is de Kraai de grootste onder de Zangvogels, al zal de naamgever niet aan Zangvogel gedacht hebben. De naam is nl. verwant met het ww. kraaien, en hierbij wordt niet aan een zangerig geluid gedacht (al wordt dit soort van geluid maken bij ons toegeschreven aan de Haan, en Haan is etymologisch verwant met Lat canere = ‘zingen’!)
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Gedurende een niet goed te bepalen periode was Raaf de naam voor de Zwarte Kraai. Bij B&O 1822 was Raaf zowel de naam voor het geslacht Corvus als voor de soort Corvus corone. [Corvus cornix heette bij B&O (net als nu): Bonte Kraai en een alternatieve naam voor de Roek Corvus frugilegus was bij hen: Rokraaf.] Ook bij Schlegel 1828 was Raaf de N naam voor Corvus corone, terwijl deze bron over Corvus corax (nu bij ons: Raaf) zegt dat deze in Holland [= Nederland!] zeer weinig schijnt voor te komen; deze soort krijgt dan ook geen N naam in de tekst.
Bij Jonston 1660 staan op Tab.XVI twee afbeeldingen, die bij vergelijking Raaf en Zwarte Kraai moeten voorstellen; beide krijgen echter de (D) naam “Rab”! Van verreweg de meeste oude afbeeldingen uit die tijd (voorzover ze er zíjn) zal niet uit te maken zijn of ze Raaf of (Zwarte) Kraai voorstellen, en dus valt evenmin meer uit te maken op welke soort(en) bijv. mnl “Craeye” en “Rave(n)” nu wérkelijk sloegen. Door dit dilemma is ook haast niet uit te maken, of de Raaf in N (overvloedig) broedde, en zo ja, wanneer hij dan precies als broedvogel in ons land uitgestorven is (/geweest). [“/geweest” moet worden toegevoegd, omdat de Raaf inmiddels weer in N als broedvogel geïntroduceerd is.]
Houttuyn noemt Corvus corone: Kraay, en Corvus corax: Raaf. Op papier weet Houttuyn ook een verschil: “De Roeken zyn grooter dan de Kraaijen, doch kleiner dan de Raaven.” (p.305). Helaas schrijft Houttuyn niets over het voorkomen van deze soorten in Nederland. In NV (1797) staat alleen de naam Kraey (níét de naam Raave).
ETYMOLOGIE N Kraai <N Kraeye [VK] <mnl craeye, craye, creye, craie (1240 [VT]), als toenaam (in Henrici Craie) c.11801 [Schoonheim]; brabants (ook) Krauw(e); achterhoeks Kraeje, Kreie, liemers Kraej, Krei, limburgs (ook) Kraa <oudsaksisch krâja, krâa [FWH]; fries Krie ↑; oostfries Krai(e), Krei(e); D Krähe <mhd Kra, Krawe <ohd kra, kraja, krawa, kraha; E Crow <middel-/oudengels crawe; germ *krē [FWH], *krē1. Klankwet nr.23.
Bij de meeste van deze namen hoort een ww. (N kraaien <mnl craeyen, brabants krauwe, kroowe, kròòwen, krōēwe [Weijnen 1996], fries kraaie; mnd kreien, kreigen, kregen; D krähen <ohd kraen, oudengels crawan), dat vermoedelijk secundair is aan de vogelnaam, maar in sommige gevallen de verbinding met de oorspr. vogelsoort verloren heeft. Zo is het in het N niet de Kraai die kraait, maar de Haan ↑, in het fries kunnen zowel Haan als Goudplevier kraaie en in delen van Noord-Brabant kraaien de Patrijzen [WBD p.180].
Deens Krage, noors Kråke, zweeds Kråka, ijsl Kráka <oudnoords kraka (tevens >E/schotse volksnaam Crake ‘Kraai’) worden meestal als zuivere onomatopeeën beschouwd.
Lockwood 1993 zegt dat alle namen pas ontstaan zijn in de “West Germanic Age” (p.10), omdat ze een herbenoeming van het geluid van diverse Kraaiachtigen (Kraai en Roek) zouden zijn nadat idg *krāg door de Germaanse Klankverschuiving tot een als onomatopee onherkenbaar geworden *hrōk was omgezet (voor *hrōk zie sub Roek).
Buiten het germ zouden echter oudkerkslavisch graja(ti) ‘krassen’ (>? R Грач Gratsj ‘Roek’) en Lat Graculus ‘Kauw, kraai’, alle met begin-g (<idg *ger- ‘schor schreeuwen’ [NEW]) verwant kunnen zijn en dan zou de oorsprong van de woorden Kraai c.s. toch idg kunnen zijn. Bij idg *ger- passen formeel ook Kraan(vogel) ↑ en Notenkraker. Zie Klankwet nr.6.
Lat cornix ‘(Bonte) Kraai’ (>F Corneille), Lat corvus ‘Raaf’, Gr κορώνη korṓnē ‘Bonte(!)Kraai’ (vgl. de eigenlijk foute wetenschappelijke naam van de Zwarte Kraai) en Gr κόραξ kórax ‘Raaf’ stammen van een andere idg wortel, nl. *(s)ker. In het germaanse kamp vallen dan Reiger, Raaf, Roek (bij idg *ker) en Scholver (bij *sker).

==

1 In de plaatsnaam Crainham (>Kraainem Brussel) nog ouder: 1003.

Skiere Krie Friese volksnaam voor de Bonte Kraai ↑. Schiere-krie is wat Albarda 1897 opgaf, maar dat was de N vertaling. Skierroek ↑ is de officiële friese naam voor deze. Skier heeft in het fries de betekenis ‘grijs, grauw, vaal’. Verwezen wordt naar de lichtgrijze veerpartijen op o.a. mantel en buik, die de Bonte Kraai van de Zwarte Kraai onderscheiden. Krie is fries voor Kraai. Een groningse volksnaam luidt Grieze Lummel [VPG].

Zwarte Kraai Corvus corone Linnaeus 1758. Forse, geheel zwarte soort van Zangvogel, die in de Lage Landen algemeen voorkomt. De Zwarte Kraai lijkt op de Raaf, maar is kleiner, en lijkt op de Roek, maar heeft een ander geluid en mist de witte ring aan de snavelbasis van deze. Voorts worden in de volksmond Kauwtjes ook wel “Kraaien” genoemd, maar Kauwen zijn kleiner en hebben een grijze nek en wittige ogen. Tot Sangster et al. 1997 werden Zwarte en Bonte Kraai ↑ enige tijd als één enkele soort beschouwd (vgl. sub Kraai). Nu dat niet langer zo is, duiden Zwarte Kraai en Bonte Kraai twee verschillende, hoewel uiteraard nauw verwante, soorten aan. De naam als in het lemma bestond echter al langer, o.a. bij Calkoen 1903, O&V 1925, Hana 1943, Van Dobben 1957 en Kist 1954 (1962).
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Bij Houttuyn 1762 heet de soort Kraay (p.303). B&O 1822 noemen de soort Corvus Corone “De Raaf”!, evenals Schlegel 1828 (p.188).
Schlegel 1852 noemt de soort DE KRAAI (en onderscheidt hem daarbij van een andere soort, DE BONTE KRAAI Corvus cornix). Idem Schlegel 1854-1858 en Albarda 1897. Thijsse 1944 noemt dezelfde N namen, maar daar vormen beide twee ondersoorten van één soort. Hana 1943, Van Dobben 1957 en HFP 1973 noemen de zwarte ondersoort Zwarte Kraai; naam als in het lemma dus. Calkoen 1903 en Kist 1962 gebruiken ook deze N naam, maar dan voor de soort, die van de andere, de Bonte Kraai, op soortniveau verschilt. Voous 1960 vaart een wat dubbelzinnige koers: hij noemt de soort Corvus corone “Kraai” in de titel (p.264), maar “Zwarte Kraai” in de tekst, impliceert hierbij de Bonte Kraai (bijv. in de tekst bij foto nr.344), maar geeft tegelijk de wetenschappelijke soortnaam Corvus cornix voor de Bonte Kraai in de tekst.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kraai. Men kon zweren bij alles wat God geschapen heeft. Dus ook bij vogels, vissen en andere dieren. Gans craeye komt voor in twee zeventiende-eeuwse teksten. → das, gans (1), kieviet, koe, koekoek, konijn, muis, slak, varken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kraai, afl. van kraaien (als bijv. schreeuw van schreeuwen); dit „kraaien” bet. oorspr. het geschreeuw van verschillende vogels, maar in ’t bijzonder van ’t geslacht kraai. – In de uitdrukking: kind noch kraai hebben, bet. kraai het gekraai van een haan (hanencraey; een kraai geven), en bij overdracht den kraaier zelf. Geen haan te hebben was het kenmerk van een ledig erf te bezitten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kraai ‘zangvogel’ -> Frans dialect méçante craille ‘meisje of vrouw met slecht karakter (zoals een kraai)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kraai* zangvogel 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1265. Eén bonte kraai maakt nog geen winter,

hetzelfde als één zwaluw (of één ooievaar) maakt nog geen zomer (Harreb. II, 146), d.w.z. men kan geen algemeene gevolgtrekking maken uit een enkel voorkomend geval, evenals men uit het verschijnen van een enkele bonte kraai kan besluiten, dat de winter in aantocht is of zeer koud zal zijn. Sedert de 16de eeuw is dit spreekwoord bekend; zie Servilius, 49*: een bonte craye en maect geenen winter; zoo ook bij Campen, 101: eene kreye can ghien colt winter maecken; bij Sart. I, 8, 61: een bonte kray maeckt geen koude winter; Spieghel, 286; Brederoo II, 369, 666: Een kray geen winter maakt; Sewel, 415; Tuinman I, 369; Rutten, 279; enz. De Franschen zeggen une hirondelle ne fait pas le printemps; de Eng. one swallow does not make the spring; hd. ein bunte Krähe macht kein Winter (Wander II, 1563); eine Schwalbe macht keinen Sommer (Wander IV, 412-413); mlat. una hirundo non facit ver; ver non una dies, non una reducit hirundo; gri. μια χελιδων ου ποιει εαρ (Aristoph.).

1266. Den kraaienmarsch blazen,

d.w.z. vluchten, en bij overdracht: sterven (Zondagsblad van Het Volk, 1906, p. 219); vgl. naar den musschenhemel gaan (Harreb. II, 110 b; I, 303 a), flauw vallen; gaan mollen rooven, begraven worden (Plantijn; vgl. fr. s'en aller au pays des taupes); den aftocht blazen en in de 18de eeuw de mars blazen of slaanVgl. hd. einem den Marsch blasen, iemand bevelen weg te gaan.. In Groningen: de kraaimars goan (Molema, 224 a). Wil deze uitdr. misschien zeggen: den weg opgaan naar de kraaien (vgl. Vondel's Roskam, vs. 148 en Geusevesper, 7)? Ook de Grieken zeiden als verwensching ες κορακας! loop naar de raven, de raven mogen uw lijk verteren!

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ger-2 in Schallworten, bes. für ‘heiser schreien’

A. Ai. járatē ‘rauscht, tönt, knistert, ruft’, jarā ‘das Rauschen’ (oder zu *g̑ā̆r- oder *ger-); vielleicht gargara-h ‘ein Musikinstrument’ (doch siehe auch *gal-);
alb. ngurónj ‘heulen’ (vom Wind);
anord. kǣra, kǣrða ‘eine Sache vorbringen, Klage führen, anklagen’ (von einem dehnstufigen i-St. *gēri- abgeleitet); mit Konsonantenschärfung ahd. carron ‘stridere, instrepere’ (schw. V.), cherran (st. V.) ‘schreien, knarren’, mnd. kerren, karren ‘knarren’, ags. ceorran ‘knarren’ (ceorung ‘Klage, Murren’), norw. karra ‘girren, gackern’, anord. kurra ‘knurren, murren’, kurr ‘Gemurmel, Gerücht’;
lit. gùrti ‘gellen’;

B. Hierher der Kranichname:
1. Lit. géršė ‘Kranich, Reiher’; nach Risch (briefl.) kontaminiert aus gérvė und génšė;
2. Mit Formans -en-, zum Teil mit -u- und -g- erweitert:
arm. krunk ‘Kranich’ (*geru-n-g-); vgl. unten ahd. kranuh;
gr. γέρην· γέρανος Hes., γέρανος m. ‘Kranich’ und ‘Krahn’;
gall. tarvos trigaranos (Inschr. über einem Stier mit drei Vögeln auf dem Rücken); cymr. corn.bret. garan (*gerenos) ‘Kranich’;
ahd. kranuh (-ih), ags. cranoc, cornuc, mnd. kranek m. (*grǝnug-);
ags. cran, asächs. krano, mhd. krane, nhd. Krahn (*grǝnon-) m.; dazu aisl. trani ‘Kranich’ (mit t- statt k- nach trami ‘böser Geist’);
lit. garnỹs m. ‘Reiher, Storch’ (*gor-n-i̯os); lett. gārns m. ‘Reiher’.
3. Mit Formans -ōu- : -ū-:
lat. grūs, Gen. gruis f. (später auch m.), davon gruere vom Kranichruf;
nhd. westfäl. krūne ‘Kranich’; s. unten ahd. kron;
lit. gérvė, lett. dzer̃ve, apr. gerwe f. ‘Kranich’ (*gerǝu̯i̯ā);
russ.-ksl. žeravь m. (*gerōu̯i̯os), skr. žȅrȃv, wruss. žórou̯ (Gen. žórau̯la); daneben skr. ždrȃlj (aus *žьravlь) und russ. žurávlь (Gen. žuravljá).

C. Von derselben ōu-: ǝu-: ū-Erweiterung auch ahd. krōn ‘geschwätzig’, ndd. krӧ̄len (*krauljan) ‘laut schreien’, holl. kruilen ‘rucksen, girren’, krollen ‘wie Katzen schreien’, mnd. krūschen ‘kreischen’.
Mit i-Erweiterung redupl. lat. gingrīre ‘schnattern, bes. von Gänsen’;
vielleicht (?) hierher griech. γίγγρᾱς, γίγγρος m. ‘phönizische Flöte’ usw.;
mir. grith, cymr. gryd ‘Schrei’ (*gri-tu-s), mir. grinnigud ‘grincement (des flèches)’ (*gri-n-d-);
mhd. krīschen ‘kreischen’, mnd. krīten ‘schreien, heulen’, mhd. krīen ‘scharf schreien’, nhd. kreißen, mhd. krīsten, nhd. kreisten.

D. grā- in wgerm. nord. *krā- (mit nicht zu ō gewandeltem alten ā durch neuerliche Nachahmung des a-farbigen Rabengekrächzes): ahd. krāen, nhd. krähen, mnd. kreien, ags. crāwan ds., ahd. hanacrāt ‘Hahnenschrei’, ahd. krā(w)a, krāia, nhd. Krähe, as. krāia, ags. crāwe ds., lit. grioju, russ.-ksl. grajǫ, grajati ‘krächzen’.

Mit Gutturalerweiterung:
anord. krāka ‘Krähe’, krākr ‘Rabe’, ags. *crācian, cracettan ‘krächzen (vom Raben)’, nhd. krächzen; germ. -k- aus idg. -g wegen nir. grāg ‘Gekrächz’ (*grāggo-); mnd. krakelen ‘garrire’.
Mit idg. k-: lat. grāculus ‘Dohle’, gracillō, -āre ‘gackern (von Hühnern)’;
ahd. kragil, mhd. kregel ‘geschwätzig’, ahd. kragilōn ‘schwatzen’, mhd. kragelen, kregeln ‘gackern’;
russ.-ksl. graču, grakati ‘krächzen’, grъkati ‘girren (von der Taube)’.

E. Mit formantischem -g-, und von andern Gehörseindrücken:
ai. garjati ‘tost, brüllt, brummt’;
arm. karkač ‘Lärm’;
ags. cracian, cearcian ‘erschallen’, ahd. krāhhon ‘krachen’;
lit. gìrgždžiu, girgždė́ti ‘knarren’.
Dazu vielleicht russ. gróchot ‘Lärm, Krachen, lautes Lachen’ u. dgl. als jüngere Schallnachahmung.

WP. I 591 ff., WH. I 583, 601 f., 615, 624, Specht Dekl. 48, Trautmann 87, 94.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal