Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koude - (lage temperatuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koud bn. ‘niet warm’
Onl. kalt ‘koud, verlaten’ in de plaatsnaam Kaldenesse ‘onbekende plaats in Holland’ [1130-61, kopie ca. 1420; Künzel]; mnl. calt ‘koud’ [1240; Bern.], meestal al cout, coude-, in jn couden lande ‘in een koud land’ [1287; VMNW].
Os. kald; ohd. kalt (nhd. kalt); ofri. kald (nfri. kâld); oe. cald (ne. cold); on. kaldr; alle ‘koud’, < pgm. *kalda-. Eigenlijk een deelwoord bij het werkwoord *kalan- ‘koud zijn, vriezen’, dat is geattesteerd als: oe. calan; on. kala (nijsl. kala). Zie ook → kil en → koel.
Verwant met Latijn gelū ‘koude, vorst’, gelidus ‘ijskoud’; daarnaast misschien met: Grieks gelandrós ‘koud’; Litouws gelmenis, gelumà ‘grote koude’; Oudkerkslavisch golotĭ ‘ijskristal; hagel’ (Russisch vero. gólot' ‘dunne ijslaag’); bij de wortel pie. *gel- ‘koud zijn, vriezen’ (LIV 185, IEW 365-366).
De klankwettige ontwikkeling van Proto-Germaans *alt/ald naar Oudnederlands old/olt is karakteristiek voor het Nederlands, evenals de daaropvolgende vocalisatie tot oud/out. Sommige woorden, zoals → goud, hadden van oorsprong al -old en ondergingen alleen de laatstgenoemde klankovergang.
koude zn. ‘het koud zijn’. Mnl. coude ‘het koud zijn’ [1330; MNW]. Afleiding van koud. Daarnaast bestond de klankwettige vorm mnl. kelde [ca. 1450; MNW], een afleinding met het achtervoegsel Proto-Germaans *-īn- (zoals bij → diepte), dat umlaut veroorzaakte, zoals in Duits Kälte < Oudhoogduits kalt-ī, en Fries kjeld < Oudfries kelde. ♦ kouwelijk bn. ‘gevoelig voor koude’. Vnnl. koudelic, kouwelic [1573; Thes.]. Afleiding van het zn. koude. De intervocalische -d- is al vroeg overgegaan in -w-.
Lit.: Schönfeld, par. 60; M. Philippa (1997), ‘Over ou’, in: OT 66, 60

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koude znw. v., mnl. coude v.o. (onder invloed van koud uit minder gebruikelijk) kelde, mnd. kolde (ook naar kold), maar ohd. chaltī (nhd. kälte), ofri. kelde, kalde. — Abstractformatie met uitgang -īn van koud.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koude, kou znw., mnl. coude v. o. Met ou naar koud naast zeldzamer mnl. kelde v. (nnl. dial. kelde, kelt) = ohd. chaltî (nhd. kälte), ofri. kelde, kalde v. “koude”. Mnd. de secundaire vorm kolde v. “kou” naar kolt “koud”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaw (zn.) koude, verkoudheid; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) kau, Middelnederlands koude <1330>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kou, koude ‘lage temperatuur’ -> Sranantongo kowru ‘lage temperatuur, kilte; kalmeren’ (uit Nederlands of Engels).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1257. Uit de kou zijn,

d.w.z. uit de moeilijkheden zijn, binnen zijn. De oorspr. beteekenis van kou kan zijn bui, hagel, sneeuw en vandaar gevaar, moeilijkheid, onaangename omstandigheid; vgl. zoo komt de kou uit de lucht, op die wijze gaat het gevaar voorbij, gebezigd in 't kaartspel, wanneer de groote troeven er uit zijn (Harreb. I, 444); fri. de kjeld moat fen 'e loft, wat ons hindert moet worden verwijderd. Hiernaast er is geen kou aan de lucht, d.w.z. er is geen vuiltje aan de lucht, er is geen onraad, er is niets dat hindert, o.a. in Ppl. 42: Is d'r wat? o nee m'neer, geen kou an de lucht; bl. 207: D'r is toch geen kou an de lucht.... hoop ik; de Maandag-Courant, 16 Maart 1914, p. 2 k. 2: Sayes speelt minder eerlijk en het gevolg is dat hij een paar maal in de modder wordt geplant, wat een ontzettend hoongebrul bij de Belgen doet opgaan. Er was echter geen kou aan de lucht. – De uitdr. uit de kou zijn komt voor in Nkr. VIII, 14 Febr. p. 7: Maar de patroons zullen den vent wel in de smiezen krijgen, als hij maar blijft aandringen om niets toe te geven, terwijl hij zelf uit de kou is. In Zuid-Nederland: uit de kou zijn, zijn fortuin gemaakt hebben, zijn schaapjes op 't droge hebben (Antw. Idiot. 703). Het tegenovergestelde in de kou wordt vooral gebezigd in de vraag wat doet hij in kou, waarom waagt hij zich in die moeilijkheden; vgl. in de 17de eeuw: Uyl, wat doeje by de spreuwen! bloet, wat doeje in de kouw?Tijdschrift XL, 82.; Nest. 61: Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij of hij zijn laatste oortje versnoept heeft; Schoolm. 250: Wat doet zoo iemand in de koûDe woorden uit de kou in V. Moerk. 157 (Ja wel, help lachen met de vryer, ay lieven uyt de kou) zijn me niet duidelijk.; Nw. School, III, 313: En we jagen alleen stakkers naar huis die zich in de kou wagen; III, 276: Ik moet eerst even uitleggen, hoe deze stakker in de kou is gekomen; VIII, 7 Febr. p. 1: Het doet zeer: maar wat moeten we nou toch met deze stumpers in de kou; Het Volk, 16 Oct. 1915, p. 5 k. 4: Dokter Kuyper heeft ze met klem ontraden om zich in de kou te wagen; De Telegraaf, 8 Jan. 1915 (avondbl.) p. 3 k. 2 (iem. in de kou laten staan).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut