Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kot - (verblijfplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kot zn. ‘verblijfplaats voor dieren, hok’; (BN) ‘studentenkamer, bordeel’
Onl. kota ‘klein huis’ in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Cota [1038; Künzel]; mnl. cot, cote (in verbogen naamvallen vaak niet te onderscheiden) ‘hut, armoedig verblijf; dierenverblijf’ in duve in duvekoten ‘duiven in duivenhokken’ [1290; MNW], sonder celle, huus of cot ‘zonder cel, huis of hut’ [1300-25; MNW-R], hoerenkot ‘bordeel’ [1494; MNW].
Mnd. kot, kote, naast kate (ook oostelijk mnl.; nnd. kate ‘eenvoudig boerderijtje’, zie ook → katenspek); mhd. kot, kote, Zwitsers-Duits chotte; oe. cot, cote (me. cot, cote, ne. cot naast -cote in dovecote ‘duiventil’, sheepcote ‘schaapskooi’); on. kot (nzw. kåta); alle ‘klein huisje, hut e.d.’; < pgm. *kuta- (o.), *kutō-. Daarnaast staan, steeds met ongeveer dezelfde betekenis, met umlaut pgm. *kut-ja-, waaruit on. -kytja; en ablautend pgm. *kautjō-, waaruit: oe. cyte; nno. dial. køyta. Misschien is ook mhd. *kœzze ‘draagkorf’ (< ohd. *kut-issa; nhd. dial. Kietze, Kötze) verwant, zie → kit. In dat geval zou men moeten uitgaan van een betekenis ‘vlechtwerk’.
Oudfrans *cote, dat is geattesteerd in Noord-Franse toponiemen en in de Oudfranse afleiding cotier ‘kleine boer’, is een ontlening uit het Nederlands of een Noord-Germaanse taal. Uit de Oudnormandische afleiding cottage ‘boerenwoning’ ontstond Engels cottage ‘klein huisje’. Litouws kūtė ‘stal’ is via het Oudpruisisch ontleend aan het Nederduits.
Buiten het Germaans zijn er geen duidelijk verwante woorden. De verdere etymologie is dan ook onzeker, zie ook → kuil. Indien er verband is met Kerkslavisch kotĭcĭ ‘kamer, opslagruimte’ (Russisch vero. kotéc ‘fuik’) en Fins kota ‘hut’, is gemeenschappelijke ontlening aan een niet-Indo-Europese substraattaal niet uitgesloten.
Uit de basisbetekenis ‘klein, armoedig huis’ zijn met name in het BN enkele specifieke betekenissen ontstaan, zoals ‘dierenhok’, ‘bordeel’, ‘gevangenis’ en ‘studentenkamer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kot* [armoedig huis] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Cota 1038, cot 1290} middelnederduits kot, kote, middelhoogduits kot, oudengels cot, oudnoors kot [hut]; waarschijnlijk is het woord van germ. oorsprong en dan te verbinden met hoogduits Kietz [visserswoongebied], Kietze [draagkorf], noors dial. køyta [takkenhut]; de oorspr. betekenis zou dan zijn ‘buigen’, ‘welven’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kot znw. o., mnl. cot o. ‘hut, hok’, mnd. kot, o., mhd. kot o.m., oe. cot o., on. kot, vgl. mnl. cote v.o., mnd. kote m., oe. cote, cyte. — Zie: keuterboer.

De etymologie is onzeker. 1. Zeer aannemelijk is de verbinding met nnoorw. dial. køyta ‘hutje van twijgen gevlochten in het bos’, mhd. kœtze ‘rugkorf’, nhd. dial. kieze ‘korf van bast’ en dan zou kot dus eigenlijk zijn ‘uit takken gevlochten hut’. — 2. Men heeft ook vergeleken oi. gudam ‘darm’, maced. góda ‘ingewanden’ en dan verder bij de idg. wt. *geu ‘buigen, krommen’, waarvoor zie ook: kuit en kut (IEW 393-4). Dan kan men uitgaan van een bet. ‘hutkuil’, waarover een vlechtwerk van takken opgericht werd; hierop zou dan het woord voor kuil zijn overgedragen (Persson SVS Uppsala 10, 1912, 109 en Stender-Petersen SGL 232-4, die op de slavische ontl. osl. kotĭcĭ ‘boer’, russ. kotych ‘varkenskot’, koteč ‘viszak, buidelnet’ wijst). — 3. Opmerkelijk zijn de sterk gelijkende woorden in fins-oegrische talen, zoals fins kota ‘hut’, dat men verbonden heeft met oi. kuṭ̃a ‘hut’. V. Brøndal APhS 3, 1928, 8-9 wijst verder ook op ofra. cote ‘hut’ en ‘kleed’ en neemt een ‘wanderwort’ aan, dat van een onbekende taal over de Iraanse Skythen aan de Zwarte Zee naar Europa gekomen zou zijn. Zeer hypothetisch en voor een benaming van een primitieve woning wel onwaarschijnlijk. — 4. Daar het woord de woning van een keuterboer aanduidt, zou men kunnen denken aan de herkomst uit de taal van een onderworpen voorgerm. bevolking. H. Kuhn, Westf. Forsch. 12, 1959, 34 gaat dan uit van een grondvorm *kut, die hij vergelijkt met lit. kūtis ‘stal’, gr. kútos ‘hol, omhulling, huid’, lat. cūtis ‘huid’, waartoe met verschoven k verder behoren hut en huid. De overname zou dan geschied zijn nadat de germ. verschuiving van de k doorgevoerd was.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kot znw., o., mnl. cot (gen. cōtes) o. “hut, hok”. = mhd. (md.) kot o. m., mnd. kot o., ags. cot o. (eng. cot), on. kot o. “id.”. Voor germ. verwanten zie bij keuterboer. Misschien verder nog met ablaut noorw. dial. køyta “hutje van takken gevlochten, vischben” en nhd. kieze v. “korf, aardbeienmand.” Wellicht echter moeten wij voor kot niet van een grondbet. “vlechtwerk, hut van vlechtarbeid”, maar van “holle of gewelfde ruimte”, event. “woonhol” uitgaan; dan zouden Kil. “kute. Zeland. j. putteken. Scrobiculus”, thur. kaute “kuil, holte, ruïne, vijver, gevangenis, vrouwelijk schaamdeel”, hess. kaute, kutt(e) “inzinking, kuil” verwant zijn en een oudere bet. hebben. Vgl. verder kut. Oorsprong onbekend. Verwantschap met kuit is semasiologisch niet aannemelijk. Als wij kot en thur. kaute enz. van een uit ku-, idg. gu- verlengde basis ku-t- < gu-d- “concaaf of convex zijn” afleiden, kunnen hoogerop kuil I, kiel II enz. verwant zijn. Zie keutel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kot. Sterk gelijkend is fins kota ‘huť en verwante woorden in andere fins-oegrische talen. Men heeft deze wel uit het Iraans afgeleid (Brøndal APhSc. 3,1 vlgg.; vgl. ook Persson Beitr. 111 noot): vgl. oi. kuṭa- ‘hut’. Brøndal t.a.p. wil ook de germ. woorden (via de Iraanse “Scythen” aan de Zwarte Zee) hieruit afleiden. Deze onderstelling die veel aanlokkelijks heeft, zou de hier en bij keuterboer Suppl. weifelend genoemde germ. ablautsvormen verdacht en alle pogingen tot aansluiting bij idg. wortels met g- overbodig maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kot o., Mnl. cot + Ndd. kot, Ags. cot (Eng. id.), On. en De. kot; daarnevens dial. kote, kate. Mnl. cote, Mndd., Ags., Eng. id., verder Hgd. kötze = draagkorf; van denz. wortel als kuil. Ontleend aan ’t Germ. zijn Gaël. cot, Osl. kotǐci en Fr. cotage.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kot 'klein huis, kleine boerderij'
Onl. cote 'klein huis', mnl. cot 'kot, hut, hutje, armelijk verblijf', ook 'kooi, schuur, hok', cote 'hut, huisje', oostelijk mnl. cote, cate, mnd. kot, kote, kate, nnd. kate 'eenvoudig boerderijtje', mhd. kot, kote, oe. cot, cote, ono. kot, alle met de betekenis 'hut, klein huis'. De etymologie is onzeker, buiten het Germaans is er geen duidelijke verwantschap, hetgeen aanleiding is om in kot een substraatwoord te zien, door de Germanen overgenomen uit de taal van een onderworpen bevolking. In dat geval mogelijk verwant met Litouws kûtis 'stal', Grieks kútos 'hol, omhulling, huid', een onverschoven variant van hut1. Oudste attestaties in plaatsnamen: 973 kopie 1473 Cathentol 'tol bij Katen' (→ Katerveer)2, 1038 Cota (verdwenen, bij Aardenburg)3.
Lit. 1Kuhn, WF 12 (1959) 34, 2Künzel e.a. 1989 203, 3Idem 210.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kot (in varkenskot, duivenkot enz.), is een oud woord voor: kleine woning, hut; ook kleine boerderij; dit laatste ook wel: keutstede, en de bewoner: keuterboer of keuter. Vgl. ook de dorpsnaam Koten, Kootwijk, e. a.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kot ‘armoedig huis; hoek; (Belgisch-Nederlands) studentenkamer’ -> Frans dialect cotche ‘klein hokje, toevluchtsoord’; Frans dialect kot ‘studentenkamer’; Baskisch kutxa ‘koffer, kist’ ; Negerhollands kot, cot ‘hok’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kot ‘hok, kennel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kot* armoedig huis 1038 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1117. Keet.

In eigenlijken zin verstaat men onder een keet een loods, een hut van polderwerkersPropria Cures, XXVI, 171: Zoo is er in Utrecht een heele herrie in de hut., waar het nu niet zoo bijzonder ordelijk uitziet; vandaar de beteekenis troep, warboel, rommel, herrie, pan, lawaai, die het woord thans veelal heeft; in Zuid-Nederland verstaat men er ook een ellendig huis, een krot onder; vgl. Teirl. II, 122: keete, ellendig huis; De Bo, 507: keete, gering huis, slechte woning, huis van ontucht. - V. Schothorst, 151: et was en keet, 't was een herrie; Van Ginneken, Handb. I, 490; Nkr. VI, 14 Sept. p. 2: Van de S.D.A.P. en haar geheimen gesproken, zei toen m'n zwager, dat zal een keet worden op dien rooden Dinsdag; Köster Hencke, 31: keet, herrie, drukte, janboel; ook menigte: wat een keet gajes (volk); evenzoo in Jord. 60: kinderkeet; in Ppl. 217: 'n Heele keet knechte; bl. 9: Vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt; Nkr. III, 18 April p. 4: Veel herrie was er in de keet, wat juichten onze kranten; 5 Sept. p. 4: Maak nu geen herrie in de keet, zoek liever arbitrage; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 4 k. 1: Het wordt anders een keet met al die verordeningen. Ook als bepaling van maat in Ppl. 4: Ik voel me nou 'n heele keet (vgl. een heele boel, een heele rommel) beter. Uit deze beteekenis rommel, herrie heeft zich die van lawaai, drukte, pret ontwikkeld, evenals bij herrie (oorspr. herberg? zie no. 902), het Vlaamsche kot, houten huisje, maar ook leven, gedruisch: Een kot houden (van al duivels), er geweldig huishouden. - Was dat daar een kot! (De Bo, 563; Schuermans, 283; Teirl. II, 176, enz.), en het Gron. kantoor in kantoor moaken, schuppen, leven, alarm, gedruisch, twist (Molema, 191). Ook ‘pan’ vereenigt, evenals keet, de beteekenis menigte en herrie, lawaaiBijvorm van lavei van 't ww. laveien, over straat zwaaien (Franck-v. Wijk, 373). in zich. In den zin van herrie, drukte komt keet voor in verbinding met de ww. fokken, maken, schoppen en trappen; waaarnaast ook keetjes (grapjes) maken en een wkw. keten wordt aangetroffen; zie Van Ginneken, Handb. I, 492; Weekbl. voor Gymn. en Middelb. Onderwijs VIII, 1326; IX, 420-421; 423; syn. is deining fokken en berzie makenBerzie (ook birzie) heeft ook de beide beteekenissen ongeordende troep en drukte, herrie. Voor de afleiding (vgl. nd. birsen, het onrustig heen en weer loopen van het vee) zie Ndl. Wdb. II, 1938 en vgl. Tijdschrift, XXXVII, 64: berzieboel en wanberzieboel..(Aanv.) In de 17de eeuw is keet in den zin van huis, woning reeds bekend in de uitdr. iemand de keet uitboenen (Winschooten, 103). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 2017.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut