Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kostuum - (bij elkaar passend stel kleren voor een bepaalde functie, pak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kostuum zn. ‘bij elkaar passend stel kleren voor een bepaalde functie, pak’
Nnl. costuum ‘kleeding waarin men zich vertoont’ in een heuvel, ... bezaaid ... met wandelaars in allerlei costumen gekleed [1791; Van Woensel], ‘toneelkleding’ [1864; Calisch], ‘bij elkaar passend stel kleren voor een bepaalde groep of klasse personen’ in heeren en jongeheeren costuums [1887; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Frans costume ‘kleedwijze overeenkomstig stand en tijdperk’ [1747; Rey], vervolgens ‘pak’ [1863; TLF], betekenisvernauwing van costume, eerder coustume ‘wijze om verschillen in leeftijd, stand en tijdperk uit te drukken’ [1641; Rey], ontleend aan Italiaans costume ‘id.’ [1294; DELI], ontwikkeld uit ‘gewoonte’ [ca. 1260; DELI]. Het Italiaanse woord gaat terug op vulgair Latijn *costumen, verbastering van klassiek Latijn cōnsuētūdō (genitief -dinis) ‘gewoonte, levenswijze’, afleiding van cōnsuēscere ‘wennen’, gevormd uit het intensiverende voorvoegsel → com- en suēscere ‘wennen’.
Hetzelfde vulgair-Latijnse woord leidde tot Oudfrans custume ‘gewoonte’ [1080; Rey], costume ‘id.’ [ca. 1135; Rey] (Nieuwfrans coutume). Dit woord is ontleend als mnl. costume ‘gewoonte, gebruik’ zoals in de goede costumen uan den hus ‘de goede gewoonten van het huis’ [1236; VMNW]. Nog tot in de 19e eeuw (een man, die 'lands kostuimen, keuren ... kende [1875; WNT vorster]) was dit woord in gebruik, maar daarna raakte het verouderd.
Lit.: P. van Woensel (1791), Aantekeningen gehouden op een reize door Turkijen, Natoliën, de Krim en Rusland, Amsterdam, deel 1, 41. Debrabandere 2000, 90-91

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kostuum [kleding, pak] {1799} < frans costume [idem] < italiaans costume [gewoonte, zede, gebruik, fatsoen, kostuum] < latijn consuetudinem, 4e nv. van consuetudo [gewoonte, gebruik], van consuescere [zich aan iets gewennen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kostuum znw. o. ‘kleding’, eerst nnl. < fra. costume (17de eeuw) < ital. costume ‘dracht (zoals die gebruikelijk is)’ Dit woord bet. eigenlijk ‘gewoonte’ (< lat. consuetudine), vgl. ofra. costume (nfra. coutume), waaruit mnl. costûme ‘gewoonte, gebruik, gewoonterecht, tolheffing’, mnd. kostūm m. ‘gewoonte, gebruik, tolheffing’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kostuum znw.o., in de tegenwoordige bet. nog niet bij Kil. Uit fr. costume > it. costume. Ook nhd. kostüm o. “kostuum”. Van ofr. costume met de oudere bet. “gewoonte” (fr. coutume) komt mnl. costûme v. “gewoonte, gebruik, gewoonterecht, tolheffing”, mnd. kostûm m. “gewoonte, gebruik, tolheffing”. Het rom. woord gaat op vulgairlat. côs’tumen, -mina terug, bijvorm van lat. consuêtûdo.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kostuum (zn.) kostuum; Nuinederlands costuum <1791> < Frans costume.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kostuum (Frans costume)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kostuum ‘kleding, pak’ -> Indonesisch kostim, kostum ‘kleding, pak’; Javaans kustim ‘groot ambtskostuum’; Soendanees kostim ‘kleding, pak’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

kostuum [pak] (1802). Lange tijd is gedacht dat de Nederlanders tijdens de Franse tijd (1795-1813) uit afkeer van de bezetter slechts weinig leenwoorden overnamen, maar inmiddels weten we wel beter. De Fransen hebben op allerlei terreinen vernieuwingen gebracht, en daarmee is een stortvloed aan Franse woorden het Nederlands binnengedrongen. Op het gebied van de mode was dat bijvoorbeeld coiffeur, dat in 1802 voor het eerst in een Nederlandse tekst werd aangetroffen. Andere termen op het gebied van de mode die we in deze periode uit het Frans hebben overgenomen, zijn coiffeur, mannequin, tule, fournituren en pantalon.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kostuum kleding, pak 1799 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut