Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koster - (opzichter van een kerkgebouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koster zn. ‘opzichter van een kerkgebouw’
Mnl. costre ‘koster’ in [den] [de]ken ende den costre ‘de deken en de koster’ [1200; VMNW], coster in des costers van Euersueerde ‘van de koster van Everswaard’ [1248-71; VMNW].
Via Oudfrans costre (accusatief costor) [ca. 1050; FEW] ontleend aan middeleeuws Latijn custor ‘kloosterbeheerder’ [793; Niermeyer], nevenvorm van custos ‘id.’ [681; Niermeyer], betekenisuitbreiding van klassiek Latijn custōs ‘bewaker’, verdere herkomst onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koster [kerkbewaarder] {coster, custer 1200} < middeleeuws latijn custor, latijn custos [bewaker, wachter], van custodire [bewaken, beschermen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koster znw. m., mnl. coster, custer < ofra. coustre of rechtstr. < mlat. custor (ecclesiae), jongere bijvorm van lat. custos ‘koster’.

Ohd. kustor, mhd. kuster stammen direct uit mlat. custor, eerst laat-mhd. küster. Het woord heeft zich vooral door de reformatie verbreid naar mnd. koster, kuster (os. heeft kostarari < mlat. costurarius, vgl. ook mnl. custenaer).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koster znw., mnl. coster, custer m. Of uit ofr. coustre òf direct uit mlat. custor (scil, ecclesiae), een jongeren bijvorm naast lat. custos “bewaker, opzichter”. Direct uit het Lat. ohd. kustor, gustor (nhd. küster) m. “koster”. Mnd. koster, kuster, owfri. kuster m. “koster” òf uit ’t Hd. resp. Ndl. òf direct uit ’t Lat. Het Os. kent kostarari m. “koster” < mlat. costurârius; evenzoo mnl. custenaer m. “id.” (met dissimilatie).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koster m., Mnl. coster, gelijk Hgd. küster en Ofra. costre, cuistre, uit Mlat. custor, bijvorm van Lat. custos = bewaarder, opzichter, verwant met Go. huzd, Ohd. hort (Nhd. hort), Os. hord, Ags. id. (Eng. hoard) = bewaarden schat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

koster: “kerkopsigter; begrafnisreëlaar”; Ndl. koster (Mnl. coster/custer) uit Ofr. coustre of regstreeks uit Ll. custor (ecclesiae), “beskermer, opsigter v. d. kerk”, uit Lat. custos, “bewaarder, voog”, vgl. Eng. custodian.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koster (Latijn custor, custos)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koster, van ‘t Lat. custos = bewaarder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koster ‘kerkbewaarder’ -> Zuid-Afrikaans-Engels koster ‘kerkbewaarder’; Indonesisch koster ‘kerkbewaarder; abt, hoofd van een abdij’; Ambons-Maleis kostor ‘kerkbewaarder’; Kupang-Maleis koster ‘kerkbewaarder’; Creools-Portugees (Ceylon) koster ‘kerkbewaarder’; Papiaments kòster, kòstu ‘kerkbewaarder’; Sranantongo kostru ‘kerkbewaarder’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koster kerkbewaarder 1200 [CG II1 Servas] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut