Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kost - (uitgave, levensonderhoud)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kosten ww. ‘voor een bepaalde prijs te koop zijn, vergen’
Mnl. costen ‘veel waard zijn’ in het teg.deelw. kostende ‘duur’ [1240; Bern.], ‘waard zijn, voor een bepaalde prijs te koop zijn’ in wat vlamsce peneghe ... moghen costen in seluere. ende in werkene ‘wat Vlaamse penningen zullen kosten aan zilver en aan arbeid’ [1240-60; VMNW], overdrachtelijk in al soudu costen dat v leuen ‘al zou u dat uw leven kosten’ [1265-70; VMNW].
Ontleend, mogelijk via Oudfrans coster [ca. 1165; Rey], aan middeleeuws en vulgair Latijn costare ‘kosten’, nevenvorm van klassiek Latijn cōnstāre ‘id.’, uit ‘tot stilstand komen van de balans van een weegschaal’, een specifieke betekenis van ‘stilstaan’, zie → constant.
kost zn. ‘levensonderhoud, voedsel’, mv. ‘betaling’. Mnl. coest, cost ‘uitgaven, betaling’ [1240; Bern.], te sinen costen ‘op zijn kosten’ [1240-60; VMNW], cost ‘levensonderhoud, kost’ [1270; VMNW]. Ontleend, mogelijk via Oudfrans cust [1155; Rey], aan middeleeuws en vulgair Latijn costa (mv.), costus ‘kosten’, een afleiding van costare. In het Middelnederlands is nog duidelijk sprake van één woord, dat in beide betekenissen meestal in het enkelvoud voorkomt. Tegenwoordig hoort in de standaardtaal de betekenis ‘uitgave, betaling’ alleen bij het meervoud kosten, behalve figuurlijk in de uitdrukking ten koste van ‘onder opoffering van’ en in de uitdrukking de kost gaat voor de baat (uit). Het enkelvoud kost heeft uitsluitend nog de betekenis ‘levensonderhoud, voedsel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kost [uitgave, levensonderhoud] {cost(e) [uitgave, levensonderhoud] 1201-1250} < middeleeuws latijn costus, custum, van constat [komt te staan op], vgl. frans coût.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kost znw. m., mnl. cost m.v. ‘kosten, uitgaven; kosten voor levensonderhoud > levensonderhoud, maaltijd, spijs’, mnd. kost, koste v. ‘kosten, onderhoud, onthaal, feest’, ohd. chosta v. ‘waarde, prijs’, mhd. kost, koste ‘levensmiddelen’ (nhd. kost ‘spijs, kost, onderhoud’), ofri. kost v. ‘kosten, levensonderhoud’, (laat-on. kostr < mnd. kost) < mlat. costus m., costa v. ‘kosten’, gevormd van *costare < lat. constare ‘kosten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kost (spijs en uitgaaf), mnl. cost m. v. (ook coste) “kosten, uitgaven”; uit de speciale bet. “kosten voor levensonderhoud of voor een onthaal” ontstond de reeds mnl. bet. “levensonderhoud, maaltijd”. = ohd. chosta v. “waarde, prijs” (de bet. “levensmiddelen” heeft reeds mhd. kost(e) v.; nhd. kost v. “spijs, kost, onderhoud”, kosten mv. “uitgaven”), mnd. kost, koste v. “kosten, onderhoud, onthaal, feest”, ofri. kost v. “kosten, levensonderhoud”, laat-on. kostr m. “id.”. Ontl. uit mlat. costa, costus “kosten”, nomina, gevormd van costâre (> it. costare, fr. coûter, eng. to cost) “kosten” (uit lat. constâre), dat is overgenomen als mnl. costen, custen (nnl. kosten), mhd. (nhd.) mnd. kosten, laat-on. kosta “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kost 1 m. (uitgaaf), Mnl. cost + Mhd. kost (Nhd. id.), verbaalabstr. van kosten 1.

kost 2 m. (spijs), is, gelijk Hgd. kost en On. kostr, hetz. w. als kost 1, welks bet. zich zoo ontwikkelden: 1. uitgaaf, 2. onderhoudskosten, 3. levensmiddelen. Toch is invloed van kosten 2. en kust op het woord niet te ontkennen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kost: (de) gele kost, bijnaam voor een eertijds bestaand jongensinternaat van de Hernhutters (zie E.B.G.*). Mijn vader behoorde tot een bijzonder slag Negers. De door de Duitsers opgevoede volksjongens. Gele kost. Zo noemde men het internaat. Het waren Negers, maar ’fijne Negers’ (Dobru 1969: 15). - Etym.: ’Geel’ heeft betr. op de gele kleding van de internen. - Opm.: Opvoeding en opleiding van het internaat stonden als zeer goed bekend. Wanneer van iemand gezegd kan worden ’hij is van de gele kost’, wordt dat nog steeds als een aanbeveling bedoeld.
— : zie groene* kost.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kos I: voedsel; Ndl. kost, “uitgawe; spyse” (Mnl. cost(e), eint. “uitgawe v. spyse”, dan “spyse”), Hd. kost, Eng. cost, ontln. aan Ll. costus (ml.)/costa (vr.), “koste”, uit Lat. constare (con- + stare, “staan”, lett. “te staan kom op; saamstaan”; hierby dan ook ww. kos, “aan prys bedra, te staan kom op”.

-kos: bedoel word kos as laaste lid v. kompo., veral by pln.; Wh-Bo-Sl 1134 beweer dat ben. soos jakkalskos, skilpadkos, slangkos, ens., in die taal v. d. Kleurlinge (en na hulle vb. wsk. ook ander inboorlinge en Blankes) nie altyd het. dat dié plante deur dié diere gevreet word nie (behalwe in enkele gevalle en dan ook gew. in tye v. groot voedselskaarste), maar dikw. dat dié plante net goed genoeg is om deur die een of ander dier gevreet te word – dus bloot afkeurend.

koste: “prys, uitgawe” v. kos I.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kost (Latijn costa)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kost ‘levensonderhoud; dagelijkse voeding en inwoning’ -> Deens kost ‘eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kost ‘voedsel, levensonderhoud’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kost ‘eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests kost ‘levensonderhoud’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools koszt ‘levensonderhoud’ (uit Nederlands of Duits); Zuid-Afrikaans-Engels kos ‘voedsel’; Negerhollands kost ‘leeftocht, voedsel’; Skepi-Nederlands ko:s ‘vlees’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

in. Het Indonesisch heeft een aantal Nederlandse verbindingen met het voorzetsel in overgenomen. Zo is het Indonesische indehoj, ook gespeld als in de hooj, in de hoy, indehoy een grove uitdrukking voor '(verboden) geslachtsgemeenschap hebben'. Hiervan zijn afgeleid berindehoy en keindehoyan, met dezelfde betekenis. Aangezien er in Indonesië bijna geen hooi is, zal de uitdrukking overgenomen zijn uit het Nederlandse taalgebruik, vermoedelijk van soldaten. Dat ook in het Nederlands in het verleden al sprake was van 'met iemand het hooi in duiken', blijkt uit een aantal zeventiende-eeuwse citaten: zo vermeldt het WNT de uitdrukkingen in 't hooi met iemand willen, moeten als 'stoeien, ravotten in het hooi' met als toelichting: 't.w. uit dartelen lust', waaraan wordt toegevoegd: 'Bij Bredero leest men uit hooien varen met eene blijkbaar dartele beteekenis', met een citaat uit 1612: 'Ick moet nou wat uyt hoye varen. O bloet, hier omtrent wonen sulcke overdadige moye snaren!' Een snaar is een meisje, maar ook - en die betekenis bedoelt Bredero - een lichtekooi.

Opvallend is natuurlijk het lidwoord de in indehoj, waar in het Nederlands gesproken wordt van het hooi. Theoretisch zou hier sprake kunnen zijn van een verbogen naamval: in den hooi zoals in den beginne (naast het hooi, het begin). Dit lijkt echter erg onwaarschijnlijk, want zo'n naamvalsvorm is typische schrijftaal, terwijl het hier natuurlijk om een spreektaaluitdrukking gaat. Verder komt het lidwoord de volgens het WNT in het Nederlands alleen voor in de specifieke uitdrukking 'de(n) hooi hebben van iets, hetzelfde als den brui, waarvan het een willekeurige (verzachtende) variant is, hetgeen ook het veranderde geslacht verklaart'. Gezien de betekenis heeft dit niets te maken met het Indonesische indehoj. De verklaring voor de in indehoj zal gezocht moeten worden in de overname door Indonesiërs: uit onderzoek is namelijk gebleken dat mensen die Nederlands als tweede taal leren - en dat gold immers voor de Indonesiërs - geneigd zijn om het verschil tussen de- en het-woorden te verwaarlozen en slechts één woordgeslacht te gebruiken, zeker wanneer de moedertaal geen lidwoorden kent, zoals het Indonesisch. Als bepaald lidwoord gebruikt men dan steeds het lidwoord de, vaak met nadruk uitgesproken als die (het Afrikaans kent zelfs uitsluitend die als bepaald lidwoord). Dat kunnen we nog horen als Indische Nederlanders het zogenoemde Indisch-Nederlands spreken, dat iedereen wel kent van Wieteke van Dort in haar creatie van Tante Lien: in dit Indisch-Nederlands zegt men bijvoorbeeld de varken en de kantor. Op dezelfde manier zal in het hooi in Nederlands-Indië zijn omgevormd tot indehoj.

In het Indonesisch betekent indekos 'een kostganger zijn' of 'een kostganger hebben'; dit gaat uiteraard terug op het Nederlandse in de kost (zijn, hebben). Indekos wordt tegenwoordig ook gebruikt voor 'het verhuren van kantoorruimte door een groot bedrijf aan een kleiner bedrijf'. Een kostganger heet een indekosan. Overigens is ook het Nederlandse kost zonder het voorzetsel in geleend als kos(t), met als betekenissen 'in de kost hebben, kostganger, pension'. In advertenties staat terima kos voor 'wij nemen kostgangers aan'. Een bu kos(t) is een pensionhoudster, hospita (bu betekent 'mevrouw'), en een pak kos(t) is de mannelijke tegenhanger (pak betekent 'meneer'), die ook met een Nederlands leenwoord kosbas wordt genoemd.

In het Papiaments is in in de betekenis 'in de mode, in trek' geleend uit het Nederlands of uit het Engels. Ook hoi 'hooi' is uit het Nederlands geleend, maar de frivole combinatie in het hooi voor 'vrijen' komt in het Papiaments voor zover mij bekend niet voor.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kost uitgave, levensonderhoud 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1256. Zijn kost is gekocht,

d.w.z. hij heeft zich of hij is ergens ingekocht, bijv. in een liefdadigheidsgesticht; hij kan onbezorgd zijn; hij behoeft niet bang te zijn voor zijn levensonderhoud, zijn bestaan; syn. van zijn brood is gebakken (Antw. Idiot. 1555); hij heeft den (on)bezorgden kostVgl. Brederoo, Sp. Brab. vs. 55: Dienen dat waer een dingh, so had ik de bezorgde kost. of is bij St. JorisVgl. C. Wildsch. VI, 37: Die zei dat ik mijn kost moest koopen op Sint Joris Hof, of in het Proveniershuis te Haarlem. St. Joris (de H. Georgius) wordt in de middeleeuwen en later vermeld als patroon van gestichten en liefdadigheid. in den kost of te gast, zooals in de 17de eeuw gezegd werd, veelal van verzorgden in liefdadige gestichten, hofjes, enz. (Ndl. Wdb. VII, 442; X, 1157; Winschooten, 243); syn. van eten uit den korf zonder zorg (in Peet, 10). De uitdrukking dateert uit de 17de eeuw en komt voor bij Winschooten, 243; Kluchtspel II, 20; bij V. Eck, 98 in den zin van ‘wij behoeven niet meer voor den kost te zorgen, want we zullen omkomen’: Wij keecken malkanderen met bedroefde oogen aen, denckende dat ons de kost al gekocht wasUit een scheepsjournaal van 1653.; C. Wildsch. VI, 240: Nu je zo met de pen kunt omgaan en ieder aan 't schreien helpen, nu is je kost gekocht; V, 269: En gij deed als een deftig man, en als een Burgemeester voegt, dat gij haar kost kocht; Harreb. I, 442; Mgdh. 51: Als ze 't hier boeren kon, was haar kost gekocht voor 't heele leven; Nkr. VI, 24 Febr. p. 2: Ziezoo Aristides, sprak Theo de jolige, ons kostje is weer voor een paar maanden gekocht; Nw. School III, 335. Vgl. ook Antw. Idiot. 1840: zijn kosten koopen, een kosthuis hebben, ergens in den kost zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut