Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kortwieken - (de slagpennen van een vogel wegnemen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kortwieken [de slagpennen van een vogel wegnemen] {1724-1726} vgl. middelnederlands cortpoten, cortpoeten [een hond van het normale gebruik van een poot beroven], corthoren [een stuk van de oren van katten afsnijden], bij Kiliaan kortvlerken, kortvlogelen {1599}.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kortwieken ww., nog niet bij Kil., die wel de gelijksoortige formaties kort-ooren, kort-vlerken, kort-vloghelen vermeldt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kortwiek ww.
Vryheid van handeling aan bande lê, mag of invloed beperk.
Uit Ndl. kortwieken (1724 - 1726), 'n samestelling van kort en gewestelike wieken, met lg. van wiek 'vlerk van 'n voël, spesifiek as ledemaat waarmee hy vlieg', en beteken lett. 'die slagpenne van een of albei vlerke van 'n voël wegknip en sodoende verhoed dat hy wegvlieg'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kortwieken de slagpennen van een vogel wegnemen 1717 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

576. Iemands macht fnuiken,

d.w.z. verzwakken, de kracht ontnemen; eig. beteekent fnuiken een vogel kortwieken, 17de eeuw ook lede- (of lee-) wiekenEene bewerking waarbij de beide vleugel- (wiek-) geledingen, waaraan de groote slagpennen zijn bevestigd, in het gewricht met een mes worden weggenomen; zie Ndl. Wdb. VIII, 1378., kortwiekenVgl. Tijdschrift IV, 220; Halma, 145; Mnl. Wdb. II, 829., of zooals men in het Westvlaamsch zegt kortvlerken en in het Brab. kortvleugelen (lat. pinnas incidere; alas intervellere (Otto, 280); fr. rogner les ailes à qqn; hd. einem die Flügel stutzen; eng. to clip a p.'s wings. Zie Vondel, Bat. Gebr. 1204:

Wie kan een arentspen in vlught te boven komen,
Zoo hy gefnuickt geen maght in zyne pennen voelt?

Lucifer, vs. 565: Men zal uw mogentheit aldus de vleugels fnuiken; vgl. Hooft, Ged. II, 246, waar op de vraag van Harman v. Woerden: ‘Wat middel soudt ghy dan goedt vinden te ghebruycken’ Gysbert van Aemstel antwoordt: ‘Den Graef, en Graeflijckheyt haer wieken wel te fnuycken’; Sewel, 223: Iemands wieken fnuiken, to clip one's wings, to diminish his power; Halma, 145. In de 17de eeuw zeide men ook iemand den staart korten (zie o.a. V. Lummel, 392De Duitschers zeggen nog: einen aufschwänzen., waarvoor men thans zegt: iemand een staartveder uitplukken of eene veder uit den staart trekken of ook iemand de slagpennen uittrekken; vgl. ook iemand de nagels korten (sedert de 17de eeuw); fr. rogner les ongles à qqn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut