Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kortaangebonden - (opvliegend)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kortaangebonden [opvliegend] {1898} is vermoedelijk oorspr. gezegd van kwaadaardige honden die men aan een korte lijn moest houden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kortaangebonden opvliegend 1898 [GVD kort]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

10. Kort aangebonden zijn,

d.i. niet veel speelruimte hebben, maar spoedig aan het einde van zijn geduld zijn, dus niet veel scherts verstaan, spoedig boos worden. Oorspronkelijk moet dit gezegd zijn van nijdige, kwaadaardige honden, aan welke men belet een groote ruimte onveilig te maken, en die daarom aan een kort touw aan het hok of een paal gebonden zijn; zie Ndl. Wdb. I. 74; Harreb. III, 1; Jord. 76; Antw. Idiot. 98; 699; vgl. De Brune, Bank. 1, 154: Men ziet dat in de honden, die aen een korten band, geleght zijn, dat ze wreed en half dol werden; Chomel I, 322: Daar gekomen zynde, laat men 'r den spoorhond, dien men kort aangebonden heeft, by naderen; Com. Vet. 58; Wander II, 841: einen bösen Hund musz man kurz anbinden; zie iemand kort houden . In het Zaansch en in West-Friesland noemt men dit kort an'edraaid of ook gauw an'edraaid zijn (Boekenoogen, 3), waarmede te vergelijken is het Gron. slap andraid wezen, goedaardig zijn of lichamelijk zwak zijn; een sukkel zijn (Molema, 383 b); westfri. de ooren staan hem don (deun) aan de kop; in het Brabantsch kort ingespannen zijn, d.i. kort van stof zijn, spoedig in gramschap geraken (Schuermans, 281); elders in Zuid-Nederland kortgehalsd zijn (Volkskunde XII, 99); kortom zijn (Schuerm. Bijv. 173 b) of knap af zijn (bl. 166 a) en in het Hagelandsch köt oepgehange zijn (= kort opgehangen zijn; Tuerlinckx, 340). Vgl. ook het hd. kurz angebunden sein en het Oostfriesche kört anbunnen wesen. In het Fri.: koart oanboun wêze; in Groningen kört van kop (Molema, 220), dat iets gelijkt op het bij Sart. IV, 21 voorkomende hy is kort voor 't hooft, moribus parum commodis et irritabili ingenio; en het fri. de holle is him koart. Syn. is gauw aangebrand zijn (Harreb. III, 11; De Vries, 1; Boekenoogen, 3).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut