Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

korst - (hard droog oppervlak van een week lichaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

korst zn. ‘hard droog oppervlak van een week lichaam’
Mnl. corste ‘korst’ [1240; Bern.], elc toocht de kerste, maer niet de crume ‘ieder toont de korst, maar niet de kruim’ = ‘ieder doet zich mooier voor dan hij is’ [1350-1400; MNW-R], corst ‘wondkorst’ [1480-1500; MNW-P].
Ontleend aan Latijn crusta ‘korst, schors’, van onzekere verdere herkomst. In het Nederlands trad metathese op zoals in → kerst.
Evenzo ontleend zijn: mnd. korste; ohd. krusta, kroste (nhd. Kruste); nfri. koarste, alle ‘korst’. Ne. crust is via Oudfrans crouste ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

korst [rand van iets die taaier is dan de rest] {corst(e), curst 1201-1250} met metathesis van r < latijn crusta, vgl. hoogduits Kruste, engels crust, frans croûte < crouste (vgl. custard).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

korst znw. v., mnl. corste, mnd. korste met metathesis, vgl. ohd. krusta. Een reeds vroege ontlening uit lat. crusta ‘wat door stollen stijf geworden is’ (bij cruor ‘bloed’). Evenals fra. croûte ging het woord vooral broodkorst betekenen, ook in Duitsland, waar alleen een brede wig van de Noordzee tot aan de Alpen daarvoor rinde gebruikt (zie Mitzka, D. Wortatlas IV, 1955), De methathesis-vorm wordt van Lotharingen over Moezelland, Westfalen, Nederland tot aan Oostfriesland gevonden. — > dial. van Weichsel- en Memel-gebied kurst (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 220-1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

korst znw., mnl. corste v. = ohd. krusta (nhd. kruste), mnd. korste v. “korst”. Ontl. uit lat.-rom. crusta “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

korst v., Mnl. corste, Ondd. croste, gelijk Ohd. krusta (Mhd. en Nhd. kruste), Eng. crust en Fr. croûte, uit Lat. crustam (-a). verwant met kristal (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

koors (zn.) korst; Vreugmiddelnederlands corste <1240> < Latien crusta.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

korst (Latijn crusta)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Korst, Lat. crusta, van ’t Gr. krustainein = bevriezen; ’t woord ziet dus oorspr. op de ijskorst. Verwant is kristal, Gr. krustallo = ijs; ’t woord let dus op de overeenkomst van het bergglas met het ijs.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

korst ‘rand van iets die taaier is dan de rest’ -> Negerhollands krost ‘rand van iets die taaier is dan de rest’; Papiaments kria korstji ‘een korstje krijgen, aankorsten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

korst rand van iets die taaier is dan de rest 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

364. Bij gebrek van brood eet men korstjes van pasteien,

d.w.z. bij gemis van eene geringe zaak, waaraan men behoefte heeft, is men genoodzaakt iets van veel meer waarde in de plaats te gebruiken (Tuinman I, 101 en Ndl. Wdb. III, 1541; IV, 479; XII, 728); in schertsenden zin gebezigd.

De zegswijze dateert uit de 17de eeuw; zie Mergh, 7: By gebrek van brood etetmen korsten van pasteyen; Smetius, 217: In plaats van broot, behelpt men sich met korst van pastey; Lichte Wigger (anno 1617), bl. 18:

 L.W. End' alle de glaesen sijn an stick, waer drincken wy dan uit?
 Wa. K' en weet niet. D.I.: dat weet ick wel, dus uit de tuit.
By ghebreck van brood eetmen corsjes van pasteyen.
Laet ons met de riemen roeyen, die wy hebben.

Zie verder Hooft's Brieven IV, 63; Kluchtspel III, 284; Harreb. I, 94; Archief IV, 341 en vgl. Goedthals, 84: Cursten van pasteyen is goet broot, croustes de patez valent bien pain. In 't fri. by brek oan brea yt men wol ris bôle (wittebrood); fr. croûte de pâté vaut bien pain; faute de grives, on mange des merles; hd. hat die Kuh kein Heu, so isst sie Spreu; wenn men kein Brot hat soll man Kuchen essen; eng. if water cannot be had we must make shift with wine; mgri. εν καιρω αναγκης την λαμιαν μητερα καλει, noem in tijd van nood ook de heks moeder; in 't Russisch zegt men: Als men geen visch heeft, is ook de kreeft een vischZie Philologus LXXI, 554..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut