Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

korrel - (rondachtig soort lichaampje; kruimel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

korrel zn. ‘rondachtig soort lichaampje; kruimel’
Onl. als verkleinwoord kornelin ‘korrel, pitje’ in thie uilo cornelino hauent ‘(granaatappels) die veel pitjes bevatten’ [ca. 1100; Will.]; mnl. corle ‘korrel’ in binnen is die corle soete ‘omdat binnenin (de noot) de pit lekker is’ [1375-1400; MNW-R], cornlekijns ‘korreltjes’ [ca. 1450; MNW]; vnnl. korrel [1617; WNT].
Verkleinwoord, afgeleid met hetzelfde achtervoegsel *-ila- als in → druppel, van Proto-Germaans *kurna- ‘graankorrel, graan’, waaruit het woord → koren is ontstaan. De huidige vorm ontstond in het Vroegnieuwnederlands door assimilatie -rn- > -rr-.
Doordat -el in het Nederlands al lang geen productief verkleiningsachtervoegsel meer is, konden nieuwe verkleinwoorden ontstaan. De vorm mnl. cornlekijn uit 1450, met het verkleiningsachtervoegsel -kijn is dus vergelijkbaar met nnl. korreltje.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

korrel* [graantje, rond, hard lichaampje] {corle [pit van vruchten, graankorrel] 1484} fries korel, verkleiningsvorm van middelnederlands corn(e), coorn, coren [(graan)korrel] (vgl. koren1). De uitdrukking iets met een korrel(tje) zout nemen [niet al te ernstig opvatten] is een vertaling van latijn cum grano salis waarin salis, de 2e nv. van sal, ‘zout’ betekent, maar ook ‘verstand’, vgl. Attisch zout.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

korrel znw. m., mnl. corle, oostfri. körrel, körl, karrel, karl, kennel, fri. korel, koarel. — Uitgangspunt zal wel zijn een deminutiefvorm *kurnila, kurnala, waaruit dan *kornǝl > korrel. — Zie verder: koren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

korrel znw., mnl. corle v. = oostfri. körrel, körl(ook kar(re)l, kennel) “korrel”, fri. korel, koarel “id.”. Of een formantische variant van koorn (vgl. kerle bij kern) òf een jongere bijvorm hiervan; maar hoe dan ontstaan? Een grondvorm *kornla-, *kornlô- is nauwelijks aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

karrel 1 m. (korrel), dimin. van kern.

korrel v., Mnl. corle + Ags. cyrnel (Eng. kernel): dim. van koren 1.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koren; eig. een graankorrel (zie Kern), later ook het gewas, de soort, als verzamelnaam. Met het Voorgerm. gr-no-m is verwant ’t Lat. granum = koren, kern, dat weer terugkeert in ons graan, grein (z. d. w.); en granaat. Korrel staat voor kornel, verkleinw. van koren, als zaadje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

korrel ‘graantje, rond, hard lichaampje’ -> Zuid-Afrikaans-Engels korrel ‘druif’ .

korrel ‘vizierkorrel’ -> Fries korrel ‘vizierkorrel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

korrel* graantje, rond, hard lichaampje 1484 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1249. Iets met een korreltje (of een greintje) zout opvatten,

d.w.z. iets niet al te letterlijk, iets met een weinig gezond verstand en oordeel opvatten; eene navolging van het lat. addito salis grano, dat voorkomt bij Plinius, Nat. Hist. 23, 8, 149 in een recept voor een tegengift in den zin van ‘onder toevoeging van een korreltje zout’, doch door ons opgevat in den zin van met een weinig verstand, in welke beteekenis het lat. sal ook gebezigd wordt; vgl. attisch zout. Zie Tuinman I, 11: Men moet dat met een graantje zouts opnemen, dat is, met wijsheid, en een oordeel des onderscheids. Zout is een zinnebeeld daar van; Harreb. I, 258: Men moet dat met een greintje zout opnemen; Het Volk, 2 Febr. 1914, p. 5 k. 2: Dan zou kunnen blijken, dat een rapport van die officieele zijde over toestanden en voorvallen niet zonder een korreltje zout zou kunnen worden aanvaard en kwalijk als basis zou kunnen worden gebruikt voor een ministerieele beslissing; Gemeenteblad van Amsterdam, afd. 2, 1914, p. 141: Het is zelfs de vraag of die mededeelingen omtrent de toeneming van dat zoutgehalte (in de waterleiding) niet met een korreltje zout moeten worden gebruikt; Handelsblad, 18 Oct. 1918 (O), p. 3 k. 4: Verhalen die met een korreltje zout moeten worden genoten; hd. etwas cum grano salis verstehen.

2419. Iemand (of iets) in 't vizier krijgen (of hebben),

d.i. iemand of iets in de gaten, in het oog krijgen of hebben, in de linken hebben of krijgen (o.a. Landl. 115; Zandstr. 32), in de piere-megoggel hebben (in V.v.d.D. 13Zie Ndl. Wdb. XII, 1565; IX, 66.). Onder een vizier (fr. visière) moet in deze uitdrukking worden verstaan het standvizier (van een vuurwapen), waarin gaten en kepen zitten, waardoor men ziet om de vereischte richting aan het wapen te gevenIn Zuid-Nederland noemt men dit ook verzien; vgl. Claes, 268: Hij schiet al wat hij op zijn verzien krijgt; evenzoo bij Rutten, 258: Iets in 't verzien krijgen, in 't oog, voor mikpunt, in de gaten.. Ligt een voorwerp, dat men wil raken, in ééne lijn met dat gat of een keep, waardoor men ziet, dan heeft men het in het vizier. De uitdrukking komt in de 17de eeuw o.a. voor bij Huygens V, 53: Een van de snedigste kreegh Trijn-moer in 't versier; bl. 88: Houtse wat in 't versier; Verm. Avant. II, 325: Maar by myn selven seer rypelyk overwegende, dat het veel beter gedaan was dat ik desen guit aan de galg liet rijden, en alleenlyk sag dat ik Rosamire in 't visier kreeg, vervolgde ik myn weg; Pasquilm. 23; Asselijn, 298: Daar zijnder al eenige, die de Huyshoudinge in 't verzier hebben; Sewel, 895: Iemand in 't vizier hebben, to spy one out, to be upon one's guard; Tuinman I, 188: yemand in 't visier of op 't schut hebben; Molema, 453: iemand in 't vezijr hebben; in Jord. 145: in 't vizier vallen; fri.: immen of hwet yn 't forsier of yn 'e mik habbe, - hâlde, -krije; elders, in de Hooge Betuwe: iemand in 't versier krîgenOnze Volkstaal, I, 251.; hd. etwas auf dem Visier, dem Rohre, der Muck, dem Strich, dem Korn habenIem. op den korrel nemen in Opr. Haarl. Cour. 16 Febr. 1922 p. 5 k. 4: Dinsdag was bij op de stoep van het gebouw aan het werk, toen een man werd opgemerkt die neerknielde, Waring, met groote zorgvuldigheid, op de korrel nam en hem door den nek schoot; vgl. Van Ginneken II, 267: op den korrel nemen, mikken. (aanv.) Syn. is iemand op den korrel hebben; vgl. Handelsblad, 28 Febr. 1925 (O) p. 5 k. 2: Zijn ‘ideologische tooverformules’ lossen dergelijke moeilijkheden niet op. Dat moge men misschien in de volksvergadering niet beseffen, maar in onzen senaat had men den heer Stenhuis wel op den korrel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut