Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koren - (graan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koren zn. ‘graangewas’
Onl. korn ‘koren’ (uitgesproken met korte o) in i mudde vodercoren ‘één mud voedergraan’ [12e eeuw; ONW]; mnl. corn ‘graankorrel; graan’ [1240; Bern.], dat koren ‘het graan’ [1280-90; VMNW].
Os. korn (mnd. korn); mhd. korn (nhd. Korn); ofri. korn; oe. corn (ne. corn); on. korn (nzw. korn); got. kaúrn ‘graan’, kaúrno ‘graankorrel’, Krimgotisch korn; alle ‘graankorrel, graan’; < pgm. *kurna. Daarnaast staat ablautend → kern < pgm. *kerna-.
Verwant met: Latijn grānum (zie → graan); Litouws žìrnis ‘erwt’, Oudpruisisch syrne ‘graan’; Oudkerkslavisch zrĭno (Russisch zernó); Oudiers grān ‘graan’, Welsh grawn; < pie. *ǵrH-no- (IEW 390). Wrsch. is de laryngaal een *h2 en is het woord afgeleid van de wortel pie. *ǵerh2- ‘rijpen’ (LIV 165), waarbij: Grieks gẽras ‘ouderdom’, gérōn ‘oude man’ (zie → gerontologie); Sanskrit járanti ‘oud worden’; Avestisch zarəta- ‘verzwakt door ouderdom’ (Perzisch zarmān ‘oude man’); Oudkerkslavisch zĭrěti ‘rijpen’ (Russisch zret'); Armeens cer ‘oud, oude man’; en misschien ook → kerel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koren1* [graan] {co(o)rn, coren, corne [korrel, graankorrel, koren] 1201-1250} oudsaksisch korn, oudhoogduits korn, oudfries korn, oudnoors korn, oudengels corn, gotisch kaurn; buiten het germ. latijn granum, oudiers grán, oudpruisisch syrne [graankorrel], litouws žirnis [erwt], oudkerkslavisch zĭrěti [rijpen], zrĭno [koren] (vgl. kern, graan1). De uitdrukking zijn koren groen eten [zijn toekomstig inkomen verteren] berust op het verkopen van het nog te velde staand gewas door boeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koren 1, koorn znw. o., mnl. corn, cōren, coorn o.m. ‘korrel, koren, korenaar, korenveld’, os. korn o. ‘koren, rogge’, ohd. chorn o. ‘zaadkorrel, steenvrucht, koren’, ofri. koren ‘koren’, oe. corn ‘korrel, koren’, on. korn ‘koren, zaadkorrel’, got. kaurn ‘koren’ (en kaurno v. ‘korrel’). — osl. zrŭno ‘koren, kern, bes’, lit. žìrnis ‘erwt’, opr. syrne ‘koren’, vgl. ook lat. granum (< *gṝnom), oiers grān ‘koren, kern’, afl. van idg. wt. *ĝer ‘rijp worden’ (IEW 391). — Zie verder: kern en kerel.

De eigenlijke bet. is dus ‘korrel’. In het Oosten van ons land (Gron. Drente, Overijsel, Veluwe, Achterhoek) betekent het nog ‘zaad’ en relicten in Holland wijzen er op, dat ten N. van de grote rivieren dit de oorspronkelijke bet. geweest is. De bet. ‘koren’ is toe te schrijven aan Brabantse expansie. In Zeeland en West-Vlaanderen is het aan het Frans ontleende graan het gewone woord (K. Heeroma, Holl. Dial. Stud. 1935, 129).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koren I, koorn znw.o., mnl. corn, cōren, coorn o. (m.) “korrel, koren, korenaar, korenveld”. = ohd. chorn o. “zaadkorrel, steenvrucht, koren” (nhd. korn), os. korn o. “koren, rogge”, ofri. korn o. “koren”, ags. corn o. “korrel, koren” (eng. corn), on. korn o. “koren, zaadkorrel”, got. kaúrn o. “koren” (kaúrno v. “korrel”). = ier. grân, lat. grânum “korrel”, obg. zrŭno, serv. zȑno “id.”, idg. ĝerəno-, naar een andere flexieklasse lit. żírnis “erwt”. Dit *ĝerəno- wordt gew. met oi. jîrṇá- “vervallen, vergaan, bros, oud” geïdentificeerd, het verl. deelw. van jīryati “hy wordt bros, oud, lost zich op, wordt verteerd”. Hierbij sluiten zeer wel de bij kerel besproken woorden aan. De oorspr. bet. van de basis zou dan zijn “malen, fijn wrijven”. Voor germ. verwanten van koren zie nog kern. Buiten ’t Germ. nog gr. gígarton “druivepit”. Vgl. nog bij karn en voor de bet. “koren” bij graan en erwt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koren 1 o. (graan), Mnl. coren, Os. corn +Ohd. korn (Mhd. en Nhd. korn), Ags. corn (Eng. id.), Ofri. korn, On. id. (Zw. en De. id.), Go. kaurn + Lat. granum, Oier. grán, Osl. zrŭno (Ru. zerno). De Lat. en Ier. vorm = Idg. *gr̥̄nom; al de andere = Idg. *gr̥nom vertoont den zw. graad van den wortel van kern.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ko’ren zn., 1. (de), de plant maïs (Zea mays, Grassenfamilie*). In veld en bos kun je deze beestjes [draagmieren*] zien lopen over hun mierenpaadje (). In één nacht knippen ze een boom kaal of verwoesten ze een hele aanplant van kassave, koren, enz. (Vermeulen 220). - 2. (de, -s), maïskolf met de korrels eraan. Men neemt een jonge koren (Maiskolf) van de schutbladen ontdaan en roostert die boven een zacht houtskoolvuurtje (Voeding goed 59). - 3. (het), maïskorrels, ’s Morgens voeren we de doksen* en strooien koren voor de kippen (J&L 1920b: 17). - Etym.: E corn: per land of streek het overheersende graangewas. In Am. kort voor ’Indian corn’ (= maïs). Indiaans koorn ook voor Sur. gebr. in Warren (vert., 1969: 15) en door J.A. Charbon 1763, cit. volgens Lichtveld & V. 74. In AN en SN vroeger: Turks koren (Enc.NWI). Vgl. ook het oude syn. caro*. Oudste vindpl. van 1 1771 (zie De Beet 91); van 3 plak. van 1694 (coren; S&dS 204). In bet. 2 wellicht verkorting van korenspier* (1). S karoe. - Syn. van 2 ook spier* (1). Samenst. ook korenpap (Barron 1981a: 32) = akansa*.
— : koren eten (at, heeft gegeten), (ook:) beroeren van de penis met de mond, ’pijpen’. - Etym.: De uitdr. berust op de gelijkenis van de penis met een maïskolf; zie koren* (2). - Zie ook: korenspier* (3), blik* eten, zuigen* (2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

koring: bep. graans., in S.A. veral duiskoring (spp. Triticum) en kafferkoring (spp. Sorghum) – in koring sg. velg. (vgl. doring, garing, horing); Ndl. koorn/koren (Mnl. coren/corene), Hd. korn, Eng. corn, hou verb. m. kern (q.v.) en m. Lat. granum – Scho (TWK/NR 7, 2, p. 9) wys op ss. soos koringbier by Trig (koorn bier) en koringsaaityd by vRieb (corensaaytijt) waarvan lg. vorm ongew. in Ndl. en gew. in Afr. is.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

korentje In 1904 voor het eerst opgemerkt, in de Bommelerwaard in Gelderland. Men sprak daar van een korentje vatten voor ‘een borreltje drinken, een graantje pikken’. Korentje zal dus een variant zijn op graantje. Wellicht was het een meer oostelijke of zelfs een door Westfaalse ‘hannekemaaiers’ (boerenarbeiders) geïntroduceerde variant, want in het Duits is Korn een bekende verkorting van Kornbranntwein ‘jenever, korenbrandewijn’. Mogelijk is ook korenwijn van invloed geweest. Korenwijn is zuiver gefiltreerde moutwijn, het basisproduct voor de bereiding van jenever. In Friesland werd ‘jenever’ wel gebrande koren genoemd. Van een dronkeman zei men daar in de 19de eeuw hij kijkt alsof hij gebrande koorn heeft gegeten. In 1986 is de borrelnaam korentje nog gesignaleerd in Amsterdam.

[Herroem 82; Water 98; WNT VII2 5602]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koren; eig. een graankorrel (zie Kern), later ook het gewas, de soort, als verzamelnaam. Met het Voorgerm. gr-no-m is verwant ’t Lat. granum = koren, kern, dat weer terugkeert in ons graan, grein (z. d. w.); en granaat. Korrel staat voor kornel, verkleinw. van koren, als zaadje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koren ‘graan’ -> Negerhollands koorn ‘graan’; Sranantongo karu ‘maïs’; Saramakkaans kálu ‘maïs’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koren* graan 1101-1200 [Tavernier voedercoren]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1053. Verstuiven als kaf voor den wind.

‘Kaf, dat door den wind wordt weggedreven, is een dikwijls in den Bijbel voorkomend beeld van datgene wat ras vervliegt en geen stand houdt; o.a. in Job 21:18; Ps. 1:4; Ps. 35:5 worden daarmee de goddeloozen vergeleken. Bij ons dient het beeld tot kenschetsing van het vluchtige en onzekere van verschillende aardsche dingen, b.v. het leven, het genot, enz.;’ Zeeman, 315. Vgl. mnl. hi blaset henen alse caf; ghelijc dat tcaf vliet voor den wint (zie Mnl. Wdb. III, 1105). In de uitdrukking er was veel kaf onder het koren (vgl. Matth. III, 12; Luc. III, 17), het kaf van het koren scheiden, er is geen koren zonder kaf (Goedthals, 29; Cats I, 520; De Brune, 402; Harrebomée I, 373) beteekent kaf iets slechts, onbruikbaars; fr. séparer la paille du bon grain; hd. die Spreu vom Weiszen trennen; eng. to sift the chaff from the wheat.

1245. Zijn koren groen eten,

d.w.z. van de hand in den tand leven en voor den kwaden dag niets opleggen; vooral gezegd van lichtmissen en verkwisters, die hunne inkomsten al van te voren verteren; ook zijne erwtjes in 't groen eten (Harrebomée I, 186 a). De spreekwijze kan ontleend zijn aan de fabel van den krekel en de mier; doch ook aan het feit, dat een landbouwer zijn gewas verkoopt, terwijl het nog te velde staat, om aan geld te komen. Zij stellen zich dus aan 't gevaar bloot van later op 't droge te zitten. Zij komt in de middeleeuwen voor in Vrouw. e.M. XI, 18; zie ook Plantijn: Sijn koren gruen eten, versuram deinceps ab ineunte anno facere; Goedthals, 56: Syn coiren groene eten, zyn witte broot voren, menger son bled en herbe; apres blanc pain, pain bis, ou faim (fr. manger son blé en vert (ou en herbe); couper ses blés en vert); Campen, 95: hy heft syn witte broot al voer gegheten (dit ook bij Servilius, 9*; 151*); Idinau, 73:

De sulcke hun kooren groen op-eten,
Die 't gheldeken verteeren, eer 't is ghewonnen.

De Brune, 287: 491; Hy eet zyn koren groentjes op; Tuinman I, 105, 174; Halma, 283; Sewel, 410; Harreb. I, 439. Vgl. nog Schuerm. Bijv. 198: zijnen mik vóoreten; Antw. Idiot. 1456: zijn wittenbrood veur eten, zijne gelukkige dagen eerst hebben; Ndl. Wdb. V, 820 en Kalff, Lied in de Middeleeuwen, 460. De zegswijze is nu in Noord-Nederland bijna verouderd, doch komt in Zuid-Nederland nog voor; vgl. Waasch Idiot. 266: zijn koorn groen opeten, een erfdeel door schulden kwijt geraken, voordat men er in bezit van is.

1246. Dat is koren op zijn molen,

d.w.z. dat komt hem te pas, dat dient hem, dat bevalt hem, evenals den molenaar het koren dat hij krijgt te malen. Eerst bij Sewel, 496 trof ik deze zegswijze aan: Dat is koorn op zyn molen, that is profit for him; Harreb. I, 439. Ook kende men: dat is water op zijn molen (zie Winschooten, 157; Halma, 357 en vgl. hd. das ist Wasser auf seine Mühle, waarbij men te denken heeft aan den molen, die door stroomend water in beweging wordt gebrachtVgl. met deze spreekwijze Huygens, Oogentroost, 753: Want of 't quam af te soeten dat afgesprongen is, sijn' keucken most het boeten, sijn' Molen-beeck liep droogh (het sou met zijne verdiensten uit zijn).. In Limburg zegt men ook nog in denzelfden zin dat is boter op zijn wagen (Welters, 110); in Groningen: da's wind op zien meulen (Molema, 474 a). Voor Zuid-Nederland zie Schuermans, 279 a en 419 a: dat is olie in mijne lamp; Waasch Idiot. 364: dat is kooren op mijnen meulen; Teirl. II, 172: dat is koren op mijne meulen, dat is profijt voor mij; dat is voor mijne meening eene goedkeuring; Antw. Idiot. 1897. In het eng. that brings grist to his mill, dat is voordeelig voor hem; in het fr. faire venir de l'eau au moulin. Hiernaast ook geen koren van den molen sturen, geen werk van den winkel sturen; vgl. Halma, 357: Men moet het koren van zijnen molen niet afwijzen; Harreb. I, 439: Koren dragen op iemands molen, hem helpen; o.a. Het Volk, 15 April 1913, p. 6: Men moet hier geen koren dragen op den molen van den tegenstander; Nkr. VII, 17 Mei p. 6: 't Is een stommiteit, zoo iets te zeggen. Je draagt maar koren op den linkschen molen.

1247. Er is geen koren zonder kaf,

d.w.z. niets is zonder gebreken, geen goud zonder schuim; hd. kein Korn ohne Spreu (oder Streu); ook in Zuid-Nederland: er is geen koren zonder kaf (o.a. Teirl. II, 172; Waasch Idiot. 364) of onder alle koren is kaf, onder elke familie, vereeniging, enz. is iemand die niet deugt (Antw. Idiot. 1837). Een sedert de middeleeuwen voorkomende spreekwoord; zie Goedthals, 29: Ten es gheen coorne sonder caf, chacun grain a sa paille; Cats I, 520; De Brune, 402 en Idinau, 167:

Daer en is gheen koren sonder kaf.
So en leefter niemandt sonder ghebreken.

Vgl. hiermede het kaf van het koren scheiden, het kwade van het goede scheiden; zie no. 1053 en Vondel, Maeghden, vs. 1677:

Nu dorscht Gods straffe hand den droeven ingezeten.
De vlegel breeckt niet eer voor dat die is versleeten.
Gods oordeel scheid aldus het koren van het kaf,
Al dreunt er 't gansche Sticht, gelijck een dorschvloer afVgl. Matth. III, 12; Luc. III, 17..
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut