Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koraal - (poliepenkolonie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koraal 1 zn. ‘kalkmassa van holtedieren’
Mnl. corael ‘koraal’ [1287; VMNW]; vnnl. een corael steen [1548; Servilius corallium], korael ‘koraal’ [1599; Kil.].
Ontleend, al dan niet via Oudfrans coral [voor 1150; Rey] (Nieuwfrans corail), aan middeleeuws Latijn corallus ‘koraal’, nevenvorm van klassiek Latijn corallium, cūral(l)ium, dat weer ontleend is aan Grieks korállion of kūrálion ‘koraal’. De herkomst van het Griekse woord is onbekend. Mogelijk is het een samentrekking van kórē halós ‘dochter van de zee’, wat dan een leenvertaling zou kunnen zijn van een overeenkomstige Indische uitdrukking. Ontlening aan Hebreeuws gōrāl ‘steentje (om mee te loten); noodlot’ is zeer onwaarschijnlijk (Masson 1967). Zie ook → kraal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koraal2 [poliepenkolonie] {corael 1287} < latijn coral(l)ium, curalium [koraal] < grieks korallion, dat waarschijnlijk semitisch van oorsprong is, vgl. hebreeuws gōrāl [steentje, lot].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kraal 1, koraal znw. v., mnl. crael, corael o. < ofra. coral (nfra. corail), of rechtstreeks uit mlat. corallus, lat. coralium < gr. korállion. — > russ. mv. králi, kralí, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 52.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kraal I, koraal als stofnaam o., mnl. crael naast corael o. Uit ofr. coral (fr. corail) òf direct uit mlat. corallus, lat. coralium ontleend. Dit uit gr. korállion, dat misschien weer van sem. oorsprong is. Ook in andere talen ontleend. Voor de uitstooting van de vóórtonige vocaal vgl. kraak, krant, knier, brat. Dial. ook kralie (Vel., Sliedrecht).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koraal 2 o. (gesteente), uit Mnl. meerv. coralen, enk. coral, van Ofra. coral, Lat. coralium, Gr. korállion.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koraal ‘poliepenskelettenmassa’ -> Indonesisch kolar, koral ‘poliepenskelettenmassa; gravel; ronde steen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koraal poliepenskelettenmassa 1287 [CG NatBl] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut