Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koraal - (kerkgezang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koraal 2 zn. ‘kerkgezang’
Vnnl. choraal, koraal ‘gezongen psalm of gezang in de protestantse kerken’ in na 't kourael [1612; WNT], ‘liturgische zang in de rooms-katholieke kerk’ in de corael oft gregoriaen ghesanck [1618; WNT Aanv. gregoriaansch]; nnl. het hedendaagsche Protestantsche koraal ... ontstond eerst in de laatste helft der 17e eeuw [1883; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn choralus, verkorting van choralus cantus ‘koorgezang’, waarin het eerste woord een afleiding is van Laatlatijn chorus ‘koor’, zie → koor, en het tweede een afleiding van canere ‘zingen’, zie → haan.
In het Middelnederlands bestond ook een woord chorael met de betekenis ‘koorzanger, koorknaap’, bijv. in den coralen en den coster ‘aan de koorknapen en de koster’ [1420; MNW]; vnnl. godts kooraelen ‘Gods koorzangers (= de engelen)’ [1646; WNT koraal III]. Dit woord koraal bestaat nog steeds: koraal ‘koorknaap’ [1900; Bal], ‘koorknaap, koorzanger’ [1930; Verschueren]; het heeft ook wel de betekenis ‘misdienaar’ gehad, bijv. in als koraaltje ... het wierookvat zwaaien [1924; WNT koraal III]. Ontleend aan Latijn choralis ‘met betrekking tot een koor’, afleiding van chorus ‘koor’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koraal1 [kerkgezang] {1612} < middeleeuws latijn choralis [behorend bij het koor] (vgl. koor).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koraal 1 znw. o. ‘gezang’, eerst nnl., evenals in andere talen < lat. chorālis ‘wat bij het koor behoort’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koraal I (gezang), znw. o. niet mnl. of bij Kil. Internationaal woord, op mlat. chorâlis “bij het koor hoorend” teruggaande. Evenzoo — veeleer dan uit waalsch coral = ofr. corial — mnl. corael m. “koorzanger”, lokaal nog gebruikt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koraal 1 m. (misdienaar), Mnl. corael, uit Mlat. coralern (-is) = koorzanger, afgel. van Lat. chorus = koor (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kräölke (zn.) jonge koorzanger in kerk; < Frans choral + -ke.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kraal, krol, krool, zn.: misdienaar. Ook Br. kreaal, kriaal, kreool, kraal ‘koorknaap, misdienaar, koorzanger (jongen)’, Ovl. kreaal, Brugs karol, Oostends kraal ‘misdienaar, koorknaap’, Keuls krol. 1662 crijallen, 1769 créael, Gent (LC). Laatmnl. corael ‘koorzanger, koorknaap’ < Lat. choralis ‘wie bij het koor hoort’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kreaal, kriaal, kreool, kraal, zn.: koorknaap, misdienaar, koorzanger (jongen). Ook Ovl. kreaal. Vgl. Brugs karol, Oostends kraal ‘misdienaar, koorknaap’. 1662 crijallen, 1769 créael, Gent (LC). Laatmnl. corael ‘koorzanger, koorknaap’ < Lat. choralis ‘wie bij het koor hoort’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kriaal, kreool (Al, G, R), kreaal (E, W), zn. m.: koorzanger, koorknaap. Vgl. Oostends kraal, Brugs karol. 1662 crijallen, 1769 créael, Gent (LC). Door metathesis uit Laatmnl. corael 'koorzanger, koorknaap' < Lat. choralis 'wie bij het koor hoort'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

karol (B), kraal (O), zn. m.: misdienaar, koorknaap. Laatmnl. corael ‘koorzanger, koorknaap’ < Lat. choralis ‘wie bij het koor hoort’. Ook Waals coral ‘koorknaap’. De a in de eerste lettergreep (B) is te verklaren door voortonige versterking (vgl. bagine, accasie), de o in de tweede lettergreep is de normale Wvl. o voor l. De Oostendse vorm gewoon door samentrekking < koraal, vanwege de verdofte o.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koraal (Latijn corallum of Oudfrans coral)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koraal kerkgezang 1612 [WNT] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut