Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kor - (sleepnet, aanvankelijk een net dat vooruit werd geduwd)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kor*, korre [sleepnet, aanvankelijk een net dat vooruit werd geduwd] {korre 1704} geassimileerd uit korde {1583} met metathesis van r < krode, hetzelfde woord als middelnederlands crode [kruiwagen], crodewagen, cordewagen, van cruden [duwen, schuiven, opdringen] (vgl. kruien).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kor znw. v. ‘bepaald soort net, dat langs de bodem wordt voortgeduwd; (dial. Noord-Holl. en Gron.) ‘lage houten wagen’, oostfri. kure, kurre ‘sleepnet’, nnd. kure, kûr, kurre ‘sleepnet’. Daarnaast staat korde, koorde ‘schrobnet’. Misschien te verbinden met mnl. crôde, fri. kroade ‘kruiwagen’, waarvoor zie: kruien. — Het is echter ook denkbaar, dat men van een bet. ‘vlechtwerk’ zou moeten uitgaan en dan kan er verband zijn met ohd. chratto ‘korf’, oe. cradol, cradel ‘wieg’, waarnaast met een t krat staat.

v. Haeringen Suppl. 91 overweegt de mogelijkheid van een grondvorm *kurzōn en verwijst naar on. kass, kassi ‘korf’, nzw. dial. kärsa ‘viskorf uit wilgentenen’ (Lidén SVS Uppsala 6, 1897 Nr. 1, 8), die verder te verbinden zijn met on. karmr ‘plankenwand’, nzw. de. karm ‘wagenkorf’ en met on. kjarr ‘struikgewas’ dat men plaatst bij gr. gérron ‘vlechtwerk van wilgetenen’. Een bezwaar is, dat men dan de vormen korde, koorde als secundair moet beschouwen (invloed van koord lijkt niet zeer waarschijnlijk).

kor [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 236-238 en 247 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

korre (schrobnet, oesternet), nog niet bij Kil., evenmin als de afl. korren I “oesters vangen”. = oostfri. kure, kurre “sleepnet”. Wellicht een fri. vorm = korf of hiervan afgeleid. Voor den vorm vgl. fri. koer “korf”, voor de bet. ook owfri. raemkoeren (zie korf). Opvallend is echter ndl. korde, koorde “schrobnet”, een vorm die sedert 1583 voorkomt en die aan fr. corde (zie koord) doet denken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

korre, heeft wellicht rr uit rz en kan dan verwant zijn met on. kass, kassi m. ‘(vis)korf’ (minder wsch. als ontl. uit het Slav. beschouwd: vgl. obg. košĭ ‘korf’), noorw. dial. kjessa, zw. dial. kars(e) ‘tenen korf’, kärsa ‘viskorf’, die met on. kjarr o., kjǫrr m. ‘struikgewas’ bij gr. gérron ‘gevlochten voorwerp’ worden gebracht (zie krib). Hierbij wsch. ook ags. cursian ‘vlechten’. Ndl. korde, koorde zou dan een vervorming onder invloed van koord moeten zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

korre v. (sleepnet), ouder en dial. korde, kurde + Fri. kurre: oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kor ‘sleepnet, aanvankelijk een net dat vooruit werd geduwd’ -> Deens kor ‘sleepnet’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal