Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koppig - (eigenzinnig, obstinaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koppig bn. ‘eigenzinnig, obstinaat’
Vnnl. zy zijn koppich als s' Paus muyl esels ‘zij zijn zo koppig als de muilezels van de paus’ [1601; WNT], koppigh, hoofdigh ‘eigenzinnig’ [1650; Hofman capricieux].
Leenvertaling van Frans têtu ‘koppig’, uit ouder testu ‘id.’ [1284; Rey], overdrachtelijke betekenis naast ‘met een groot hoofd’ [1237; Rey] (Nieuwfrans têtu), afgeleid van teste ‘hoofd’ (Nieuwfrans tête), zie → test 1.
Een ander, maar verouderd woord met dezelfde betekenis en op dezelfde manier gevormd, is hoofdig bij hoofd.
Lit.: F. de Tollenaere (2002) “Etymologica: Paling, Koppig”, in: TNTL 119, 349-356

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

koppig

Het woord koppig voor: halsstarrig, weerspannig of hoofdig, is afgeleid van kop: hoofd. Dit is hetzelfde woord als kop: nap, schaal, beker en de laatstgenoemde betekenissen zijn zelfs de oudste. Daaruit heeft zich die van schedel, hoofd ontwikkeld, zoals ook het Franse woord tête ontstaan is uit het Latijnse testa dat: pan betekende. Wij spreken immers ook van hersenpan voor schedel.

Koppig is een woord dat voornamelijk in verband met levende wezens wordt gebruikt. Men spreekt van een koppig kind en een koppige ezel. Gebruikt men het van dranken, dan bedoelt men er mee: dranken die naar de kop stijgen omdat ze sterk alcoholhoudend zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koppig bnw., eerst nnl. evenals oudernhd. köpfisch van kop gevormd, vgl. ook hoofdig en fra. entêté, têtu.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koppig bnw., nog niet bij Kil. Van kop. Vgl. voor de bet. oudnhd. köpfisch, köpfig, ndl. hoofdig en fr. entêté, têtu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kop’pig bn., (ook:) eigenwijs. Jullie zijn koppig... Elk jaar... weer... zoveel ongelukken. Loekoe dja [S, kijk hier] ... mi derde finga [S, mijn derde* vinger] ... hij is er... niet meer... Een grote bombel*... heeft... het... weggeschoten... Ik was jong net als jij... Jullie... zijn... uche... uche... uche... (A&P 1980c 59). - Etym.: AN k. bet. ook ’vasthoudend aan eigen wil of inzicht’, maar die hoeven dan niet onjuist te zijn.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koppig (vert. van Frans têtu of entêté)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koppig ‘obstinaat, eigenwijs’ -> Indonesisch kopig ‘obstinaat, eigenwijs’; Kupang-Maleis sakopeng, skopeng ‘obstinaat, eigenwijs, warhoofdig’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut