Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koppelen - (aan iets verbinden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koppel zn. ‘tweetal, stel; uniformgordel’
Mnl. coppel ‘verbinding, band’ [1240; Bern.], ‘stel, bijeenhorende groep’ in met coppelen als scape ‘in groepjes als schapen’ [1445; MNW]; vnnl. koppel ‘band, riem; juk, stel verbonden hondenleibanden; tweetal, paar’ [1599; Kil.]; nnl. koppel ‘groep bijeenhorende dieren of zaken’ in een koppel van 35 kippen [1865; WNT], ‘draagband, uniformgordel’ in koppels en patroontasch-bandeliers [1845; WNT], ‘tweetal’ in een koppel eieren ‘twee eieren’ [1917; WNT].
Ontleend aan Oudfrans cople ‘band, riem’ [1170; TLF], eerder al cople ‘tweetal’ [ca. 1150; TLF] en cuple ‘man plus vrouw’ [1146-70; TLF] (Nieuwfrans couple (m.) ‘stel’ en couple (v.) ‘koppelband’) < Latijn cōpula ‘tweetal, stel’, ouder ‘verbinding, band’, gevormd uit co- ‘samen’, zie → com-, en *apula, *apla ‘datgene wat vastmaakt of verbindt’, afleiding van apere ‘vastmaken, verbinden’.
Latijn apere is verwant met: Sanskrit ā́pa ‘heeft bereikt’; Albanees jep ‘geeft’; Hittitisch ēpzi ‘nemen’; < pie. *h1ep-, *h1op-, *h1p- ‘grijpen’ (LIV 237).
De betekenis ‘band, riem’ ontwikkelde zich tot ‘wat door een riem, band enz. verbonden wordt’, met allerlei letterlijke en figuurlijke toepassingen als ‘stel door een juk verbonden beesten’ en ‘echtpaar’; daaruit konden zich zowel de betekenis ‘groep van meer dan twee bijeenhorende dieren of zaken’ als de betekenis ‘tweetal niet noodzakelijk bijeenhorende zaken’ ontwikkelen. De betekenis ‘riem’ bleef vooral bewaard in militaire toepassing.
koppelen ww. ‘verbinden’. Mnl. coppelen ‘vastmaken, verbinden’ in coppelt daeran een anderen draet sonder cnoop [1351; MNW], een man ende een wijf ... te gader ghecoppelt [1450-1500; MNW]. Afleiding van koppel ‘band, verbinding’ en/of ontleend aan Frans coupler ‘verbinden, vastmaken’, eerder al cupler [1172-74; TLF], afleiding van Oudfrans cuple, cople ‘band; tweetal’, zie hierboven. Zie ook → copuleren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koppelen [aan iets verbinden] {cop(p)elen 1350} < oudfrans copler < latijn copulare [samenkoppelen, verbinden, verenigen], van copula [band, riem], van com- [samen] + ∗apula, van apere [vastmaken] (vgl. copla, copuleren, couplet).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koppelen ww. Sedert het Mnl. Mhd. Mnd. Uit ofr. copler (fr. coupler; lat. côpulâre). Zie koppel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koppelen (Latijn copulare)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koppelen ‘aan iets verbinden’ -> Deens koble ‘aan iets verbinden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors koble, kople ‘met koppels verbinden, koppelarij bedrijven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koppelen aan iets verbinden 1350 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut