Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koord - (gevlochten snoer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

koord zn. ‘gevlochten snoer’
Mnl. corde ‘touw, snoer’ in dat ijar daer hi die corde metten knopen begordt in hadde ‘het jaar waarin hij het koord met knopen als gordel had omgedaan (= monnik was geworden)’ [1265-70; VMNW], so makde hi van corden ene gheecele ‘zo maakte hij een gesel van touw’ [1291-1300; VMNW].
Ontleend via Frans corde ‘touw, snoer’ [950-1000; TLF] aan Latijn chorda ‘touw, snaar, darm’, zelf ontleend aan Grieks khordḗ ‘id.’, verwant met → garen 1 ‘draad’.
koorde zn. ‘rechte lijn tussen twee punten van een kromme’. Vnnl. in de Grieks-Latijnse vorm corda, chorda in den boghe A B C doet 66, ende de corda A C 30 roeden ‘de kromme lijn ABC meet 66 roeden en de rechte lijn van A naar C 30 roeden’ [1596; WNT]; nnl. chorde, choorde, koorde, bijv. in Alle ... koorden in den cirkel getrokken ‘alle koorden die in de cirkel zijn getrokken’ [1736; WNT]. Het Griekse woord khordḗ ‘touw; darm’ werd vanaf de 15e eeuw in de wetenschap gebruikt in de overdrachtelijke betekenis ‘rechte lijn’; in het Nederlands kreeg het onder invloed van koord ‘touw’, dat teruggaat op hetzelfde Griekse woord, de vorm koorde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koord [touw] {co(o)rde 1277} < frans corde [idem] < latijn chorda [darm, snaar, touw] < grieks chordè [darm, pees, snaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koord znw. o. v., mnl. corde, coorde v. ‘touw, strik’ evenals mnd. korde, mhd. korde < fra. corde < lat. corda < gr. chordḗ ‘darm, darmsnaar’. — Zie ook: kardeel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koord znw. (het en de), mnl. corde, coorde v. “touw, strik”. Evenals mhd. (nhd.) mnd. korde v. “id.” uit fr. corde (< lat. corda > gr. khordḗ “darm, darmsnaar”). Vgl. kardeel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koord v., uit Fr. corde, van Lat. cordam (-a), van Gr. khordḗ = darm, darmsnaar (z. garen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaord (zn.) koord; Vreugmiddelnederlands corde <1265-1270>.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koord (Frans corde)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Koord, uit ’t Fr. corde, en dit van ’t Lat. corda, uit ’t Gr. chorde = darm, darmsnaar; waarvan de oudste „koorden” gemaakt werden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koord ‘touw’ -> Ambons-Maleis † koord ‘koord voor boordsel’; Kupang-Maleis † koord ‘koord voor boordsel’; Menadonees † koord ‘koord voor boordsel’; Ternataans-Maleis † koord ‘koord voor boordsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koord touw 1277 [CG I1, 353] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1406. Eéne (of dezelfde) lijn trekken,

d.w.z. het samen ééns zijn; vgl. Hooft, Ned. Hist. 221, die lyntrekkery bezigt in den zin van partijschapVgl. het 16de-eeuwsche en ook latere zijn strenge trekken, partij kiezen, voor zijn gevoelen uitkomen; iemands streng trekken, zijne partij kiezen (Pers, 636 b); Harreb. II, 313. Vgl. Vondel, Harpoen, 122.. De uitdr. kan ontleend zijn aan het bedrijf van den schipper en wil dan eig. zeggen: samen hetzelfde schip voorttrekken, hetzelfde doel beoogen; zie Winschooten, 140; De Brune, Emblemata, 40 en Sewel, 469: In 't lyntje loopen, to draw a boat with a line. Sedert de middeleeuwen is de uitdr. bekend; zij komt o.a. voor in de N. Doct. 271: Dese twee trecken al éne line; ook vindt men haar bij Campen, 102: sy trekken al eene lijnde, dat aldaar wordt opgegeven als synoniem van: sy pissen (of cacken) al tsaemen in eenen pot; sy steken thoeft al in eenen koevel; sy huylen al mit malcanderen; zie ook Coornhert, Liedekens, XXV, str. 1: Want Venus en de Wijn hier trecken eenen lyn; Servilius, 47*: Si trecken al een zeel (mnl. één seel trecken); Tijdschrift XXI, 89: Een lyni trekken; Sart. IV, 51: Pariter remum ducere, eene lijn trecken; III, 4, 55: Sy trocken een lijn maer elck op een eyndt (vgl. Tuinman I, 180); Hooft, Ned. Hist. 116; Vondel, Adam in Ball. 637: Zy trecken eene lijn: wat d'een begeert wil d'ander; Anna Bijns, N. Refr. 23; Refr. 32; Van Lummel, 109; Asselijn, Jan Kl. vs. 127: Een linie trekken; Sewel, 469; Jong. 273; enz. Andere synonieme uitdrukkingen waren: met iemand een jock trecken (Anna Bijns, Refr. 323); met iemand aan eenen staeck springen (Marnix, Byenc. 6 v); over eenen stock water draegen (Marnix, Byenc. 4 v); samen in een gat blazen (Harreb. I, 205); vgl. Borchardt, 234: se blosen än i loch en in jemandes Horn blasen; onder één hoedje spelen; handjeplak spelen (in De Arbeid, 28 Febr. 1914, p. 4 k. 1; 22 Aug. 1914, p. 2 k. 2; 29 Aug. 1914, p. 2 k. 1); enz.; in Zuid-Nederland zijn verder bekend: aan één koord trekken (Tuerlinckx, 339); op éen fluit spelen (Tuerlinckx, 190 en Rutten, 68 a); aan ééne streng trekken (Schuerm. 690; Waasch Idiot. 635 a; hd. an einem Strange ziehen); ééne zeel of ééne koord trekken (Schuerm. 740 en vgl. Antw. Idiot. 1472; Joos, 80; 106); aan hetzelfde zeel trekken, eendrachtig handelen; éen zeel spannen, samenspannen (Waasch Idiot. 756). In het Friesch: hja lûke mei in-oar (oan) ien line; eng. to pull together.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal